Op voorraad

Aantal
Totaal

15,59

Gebruik

1 à 2 tabletten per dag

Samenstelling per tablet

Magnesiumpidolaat 396 mg
Magnesiumbisglycinaat 340 mg
Magnesiumglycerofosfaat 310 mg
L Taurine 50 mg
Zinkpicolinaat 38 mg
B3 (Niacinamide) 19,2 mg
B9 (Folaat) 17,4 mg
B5 (Calciumpantothenaat) 7,5 mg
BB (Biotine) 6,4 mg
B6 ( Pyridoxaalfosfaat) 3,1 mg
B2 (Riboflavine) 2,4 mg
B1 (Thiaminemononitraat) 2,1 mg
B12 (Methylcobalamine) 0,001 mg

Bevat geen allergenen

Indicaties

Vermoeidheid
Energieproblematiek
Spierpijnen
Krampen
Uitstralende pijnen
Reuk en smaak verlies
Stress
Prikkelbaarheid
Depressie
Concentratieproblemen
Hoofdpijn en migraine
Geheugenverlies
Bloeddruk schommelingen
Immuniteit

Verpakking

30 Tabletten

 

Inline feedbacks
Bekijk alle reacties

Magnesium Plus heeft een positief effect bij vermoeidheid, stress en depressie. Een tekort aan magnesium verstoort de melatonineproductie en leidt tot spierkrampen. De unieke samenstelling telt drie bijzondere magnesiumvormen: magnesium-bisglycinaat, magnesium-pidolaat en magnesium-glycerofosfaat. Allen worden optimaal opgenomen in het lichaam en compenseren eventuele tekorten. Magnesium Plus draagt zo bij tot een rustige slaap en werkt als natuurlijke spierontspanner.

Het uitgebreide vitamine B-complex in Magnesium Plus verhoogt de weerbaarheid tegen stress, concentratieproblemen, vermoeidheid en bevordert de slaap. Het is aangevuld met de maagvriendelijke immuniteitsbooster zink-picolinaat en de sterke antioxidant L-taurine. Door zijn veelzijdige werking is Magnesium Plus een natuurlijke opkikker voor elk seizoen.

Voor atleten geldt dat een magnesiuminname lager dan 260 en 220 mg per dag voor respectievelijk mannen en vrouwen al leidt tot een tekort. Magnesiumtekort leidt tot immunopathologische veranderingen, die leiden tot ontstekingsreacties.

Tijdens langdurige inspanning vinden hormonale veranderingen plaats die hiervan de oorzaak zouden kunnen zijn. Secretie van antidiuretische hormonen, aldosteron, sympathische neurotransmitters, thyroïd-stimulerend hormoon en bijnierschorshormonen neemt toe. Magnesiumsuppletie kan de sportprestaties van atleten met een (dreigend) magnesiumtekort verbeteren en immunosuppressie, oxidatieve schade en hartritmestoornissen helpen voorkomen.

De incidentie van hart- en vaatziekten (beroertes, ischemische hartziekten) is omgekeerd evenredig aan de magnesiumgehalte in het water dan wel in de grond. Cardiale prikkelbaarheid, neuromusculaire transmissie, bloeddruk, vaatvernauwing en –verwijding zijn allen gerelateerd aan de magnesiumstatus, wat van belang is voor patiënten met hartziekten. Bij een magnesiumtekort komen arteriële fibrillatie en ventriculaire tachycardie en fibrillatie vaker voor. Magnesium heeft een positief effect bij “torsades de pointes tachycardie” (een speciale vorm van ventrikeltachycardie).

Een tekort blijkt tevens het ontstaan en ontwikkelen van coronaire risicofactoren zoals diabetes mellitus, hypertensie, artheriosclerose, hyperlipidemie, hartritmestoornissen, schade aan het myocard en ischemische hartziekte in de hand te werken. Een verbeterde magnesiumstatus kan ischemie van het hart voorkomen door vermindering van het intracellulaire calciumgehalte, dilatatie van de kransslagaders, vermindering van de perifere weerstand en remming van trombose.

Magnesiumsuppletie vermindert de frequentie van asymptomatische ventriculaire aritmie bij hartfalen en werkt bloeddrukregulerend. Het kan tevens preventief gebruikt worden tegen atherosclerose en ischemische ziekte. Bij directe intraveneuze toediening van magnesium bij een vermoedelijk hartinfarct wordt de kans op overleving vergroot.

Magnesiumsuppletie heeft een positief effect op het glucosemetabolisme, de insulinegevoeligheid en het serumkaliumgehalte. Het kan zo helpen diabetes onder controle te houden en hiermee complicaties aan de vaten voorkomen. Glucose en endogene insulinesecretie hebben invloed op het plasmamagnesium. Het magnesiumniveau en het insulineniveau vertonen een wisselwerking, aanvulling van het magnesium dat verloren gaat kan het ziektebeeld bij diabetici verbeteren.

Doordat magnesium kan bijdragen aan de ontspanning van de spiercel en ontstekingsremmende eigenschappen heeft, kan verwacht worden dat magnesium effectief is bij de behandeling van astma. Bronchospasmen en broncheale reactiviteit nemen af. Bij acute ernstige verergeringen kan magnesiumtherapie uitkomst bieden wanneer conventionele therapie faalt.

Magnesiumtekort heeft een negatieve invloed op alle botweefselcellen, waardoor slecht nieuwe cellen worden aanmaakt en oude afgebroken. Het botweefsel degenereert in structuur en hoeveelheid en het bot zal sneller breken. Bij postmenopauzale vrouwen en oudere mannen helpt magnesiumsuppletie botbreuken en botverlies voorkomen en zelfs de botdichtheid verhogen.

Een laag magnesiumniveau versnelt tevens de veroudering van de menselijke endotheelcellen en fibroblasten. Daarom valt te verwachten dat het verhogen van de magnesiuminname kan bijdragen aan gezonder ouder worden en het voorkomen van ouderdomsziekten.

In de hersenen ondersteunt magnesium de cognitieve functies, zoals het geheugen en het concentratievermogen. De angstremmende werking van magnesium hangt deels samen met de ontspannende werking van magnesium op het musculaire systeem en de regulerende werking op neurotransmitters. Diverse studies wijzen op een verband tussen angstklachten en een verlaagde magnesiumstatus. Er zijn ook aanwijzingen dat dwangstoornissen verergerd worden door magnesiumtekort.

Magnesium ligt voornamelijk opgeslagen in bot (60 %), spier (20 %) en zachte weefsels (20 %). Minder dan 1 % bevindt zich in het bloed.  Het menselijk lichaam bevat bij benadering 24 g (1 mol) magnesium, wat ongeveer 0,034 % is van het totale lichaamsgewicht.

Een mens heeft gemiddeld 5 mg magnesium per kg lichaamsgewicht per dag nodig. Een tekort kan ontstaan door onvoldoende inname, maar ook door een verstoring van de magnesiumregulatie. Denk hierbij aan intestinale hypoabsorptie, verlies via urine, verminderde botopname, insulineresistentie en stress. De inname is laag, omdat het westerse voedingspatroon een relatief tekort heeft aan magnesium.

Vlees en zuivel bevatten minder magnesium dan groene bladgroenten, omdat magnesium het centrale onderdeel is van chlorofyl. In granen en noten zit een aanzienlijke hoeveelheid, maar helaas wordt er veel gebruik gemaakt van geraffineerd meel, waar dan weer weinig magnesium in zit. Bovendien raakt de grond door intensieve verbouwing en magnesiumarme (kunst)mest uitgeput, waardoor het gehalte in plantaardig voedsel daalt. Kraanwater is ook een bron van magnesium. Hoe harder het water, hoe meer magnesiumzouten erin zijn opgelost (max. 50 mg/L).

Magnesiumtekort manifesteert zich vaak door kramp in de spieren en door vermoeidheid. Andere vroege symptomen van een magnesiumtekort zijn misselijkheid, verminderde eetlust, braken, zwakte, tintelingen, gevoelloosheid, toevallen, veranderingen in de persoonlijkheid, een abnormaal hartritme en coronaire spasmen.

Dit kunnen dus allen indicaties zijn voor het gebruik van magnesium, maar ook bij verschillende ziektebeelden kan magnesium verbetering bieden. Een magnesiumtekort heeft over het algemeen een stressreactie tot gevolg, bovendien brengt het een verhoogd risico op hartziekte, verhoogde bloeddruk, beroerte en zwangerschapscomplicaties met zich mee.

Bij een normaal magnesiumgehalte wordt 40 à 50 % van het magnesium in de voeding geabsorbeerd in het gehele spijsverteringkanaal, maar voornamelijk in het duodenum. Diverse factoren in de voeding kunnen de absorptie beïnvloeden.

Om geabsorbeerd te worden gaat magnesium de concurrentie aan met andere mineralen. Absorptie kan actief en passief geschieden. Bij een lage inname via de voeding is de concentratie in het lumen laag en vindt absorptie hoofdzakelijk plaats door verzadigbaar actief trans-cellulair transport. Bij een toenemende concentratie door middel van onverzadigde passieve diffusie. Ongeveer 80 % van het plasmamagnesium wordt door de nieren gefilterd, waarvan 95 % opnieuw wordt geabsorbeerd, de rest wordt uitgescheiden.

Ongebonden (tweewaardig geladen) magnesium gaat gemakkelijk een verbinding aan met fytaat (uit granen), oxalaat (uit o.a. rabarber), fosfaten en methylaminen, waardoor het niet meer geabsorbeerd kan worden. Met name de hoge graanconsumptie kan zo een goede magnesiumstatus in de weg staan.

  • Organisch en anorganisch gebonden magnesium

Belangrijk is het onderscheid tussen organisch en anorganisch gebonden magnesium.

Organisch gebonden magnesium wordt beter opgenomen dan anorganische magnesiumvormen (zie infra (2) Magnesium pidolaat, (3) Magnesium bisglycinaat en (4) Magnesium glycerofosfaat).

Bij een verminderde nierfunctie, hartblok (een storing in de prikkelgeleiding van het hart) en neuromusculaire aandoeningen dient magnesiumsuppletie, indien mogelijk, enkel te gebeuren onder medisch toezicht.

Intensieve therapie met anorganisch magnesium, met name magnesium sulfaat en magnesium chloride, kan tijdelijk osmotische diarree tot gevolg hebben. Bij constipatie worden daarom regulier soms hogere doses van magnesium geadviseerd. Magnesium sulfaat veroorzaakt gemakkelijker diarree dan andere magnesiumzouten omdat sulfaat, evenals magnesium, een osmotische werking heeft. De meeste organische vormen worden goed opgenomen met een minimale laxerende werking.

Gelijktijdig gebruik met tetracyclinen, digoxine, penicilline, ijzer of ciprofloxacine kan de resorptie van deze middelen verminderen door complexvorming en doordat magnesium maagzuurvorming remt.

De dagelijks aanbevolen hoeveelheid magnesium in België bedraagt 300 mg, maar de werkelijke magnesiumbehoefte kan sterk variëren, afhankelijk van factoren als leeftijd, geslacht, zwangerschap, beroep, sport, voedingsgewoonten, leefwijze en medicijnen. In ongunstige omstandigheden kan de behoefte aan magnesium wel oplopen tot 600 à 700 mg per dag.

Het duurt enige tijd voordat de effecten van magnesiumsuppletie zichtbaar zijn. De ontspannende werking op de spieren zal zich het eerst openbaren, al na enkele dagen of weken, maar om een duurzaam effect te bewerkstelligen moet de suppletie enkele maanden worden volgehouden.

Als veilige bovengrens wordt tussen de 300 en 400 milligram elementair magnesium per dag aangehouden. Bij acuut gebruik 400 mg en bij chronisch gebruik 300 mg. Voor kinderen van 1 tot 3 jaar geldt een grens van 65 mg, van 4 tot 8 jaar van 110 mg, van ouder dan 8 jaar 350 mg. Voor bepaalde toepassingen kan het echter noodzakelijk zijn om hoger te doseren, mits dit onder toezicht gebeurt.

Niettemin is magnesiumtherapie een zeer veilige therapievorm. Extreme overdosis kan bij sommige mensen een warmtegevoel en flushes geven, maar het optreden van hypotensie door magnesiumoverdosis is uiterst zeldzaam. Wel kan intensieve therapie met oraal magnesium (zoals eerder aangegeven) aanleiding geven tot osmotische diarree.

Een belangrijke cofactor voor magnesium is vitamine B6. Vitamine B6 helpt om magnesium de lichaamscellen in te transporteren. Daarnaast hebben ook vitamine C, vitamine D, calcium en fosfor een synergistische werking. Calcium, vitamine D en fosfor zijn vooral synergistisch op het gebied van de stofwisseling van botten en tanden.

Pidolaten zijn verbindingen van een mineraalzout met pidolinezuur (L-pyrrolidon carboxylzuur), een stof die volop in ons lichaam (huid, hersenen, bloedcellen en lichaamsvloeistoffen) en in veel planten aanwezig is. Via de voeding krijgen we pidolinezuur binnen door bijvoorbeeld het eten van groente of honing en het drinken van wijn of vruchtensappen.

Pidolinezuur speelt een belangrijke rol in diverse lichaamsprocessen, zoals bij de energievoorziening van cellen. Verder is pidolinezuur onder andere van belang voor de structuur van bot- en huidweefsel, bevordert het ontspanning en rust, en is het een krachtige antioxidant. Pidolinezuur wordt bijzonder goed opgenomen (meer dan 90 %) in het lichaam, wordt nauwelijks door natuurlijke lichaamsprocessen afgebroken en kan gemakkelijk in de lichaamscellen komen. Daardoor zorgt het voor een hoge biologische beschikbaarheid van het mineraal dat eraan gebonden is en wordt het bovendien goed verdragen.

Magnesium pidolaat wordt goed opgenomen in de rode bloedcellen en wordt efficiënt ingebouwd in de lichaamsweefsels. Uit pidolaat wordt gemakkelijk hydroxyproline gevormd, een aminozuur dat van essentieel belang is voor de vorming van botcollageen en voor de botstructuur. Daardoor is magnesium pidolaat in meerdere opzichten van belang voor ons bot- en beenderstelsel: als magnesiumleverancier, maar ook voor de botaanmaak. Hetzelfde geldt voor calcium pidolaat.

Van magnesium pidolaat is verder bekend dat het gunstig is voor de bloeddruk en dat het een verzachtende invloed op het hoofd heeft.

Magnesium bisglycinaat is een magnesiumsupplement dat toelaat om een dagelijks magnesium opnametekort van ons lichaam, te wijten zijn aan een onevenwichtige voeding of aan een verhoging van de magnesiumbehoefte van het lichaam, te compenseren. Magnesium bisglycinaat geeft het lichaam 100 % van zijn dagelijkse behoefte aan dit type essentiële mineralen.

Het magnesium bisglycinaat in Magnesium Plus is een chelaat samengesteld uit magnesium verbonden met twee aminozuren. Het vormt zo een bron van magnesium met een hoge biologische beschikbaarheid waardoor ons lichaam de weldoende werkingen ervan optimaal kan benutten.

Dat magnesium bisglycinaat bekend staat als de best opneembare verbinding, heeft verschillende redenen:

  • Meerdere mineralen maken gebruik van dezelfde transporters, waardoor mineralen elkaars opname belemmeren, maar deze verbinding wordt niet gezien als mineraal maar als aminozuur. De mineralencompetitie wordt vermeden;
  • De opname van aminozuren is hoger dan die van metalen en die van glycine zelfs extra hoog vanwege zijn geringe omvang;
  • Mineraalzouten (sulfaten, citraten) worden gesplitst door maagzuur. Hierdoor wordt het mineraaldeel elektrisch geladen, zodat het met transporteiwitten de dunne darm kan passeren, de bloedstroom in. Echter, daardoor worden ze gevoeliger voor binding met fytaat en oxalaat. Magnesium bisglycinaat wordt niet gesplitst door maagzuur waardoor het geen strijd hoeft aan te gaan met andere mineralen.

Magnesium glycerofosfaat is een bijzonder magnesiumzout. Het wordt uitstekend verdragen door maag en darmen, in tegenstelling tot andere magnesiumvormen die vaak darm- en verteringsstoornissen of -klachten opleveren.

Er worden twee soorten vitamines onderscheiden. Enerzijds zijn er de water oplosbare vitamines. Hiertoe behoren de vitamines van het B-complex. Deze kan het lichaam, met uitzondering van vitamine B12, niet opslaan en moet aldus vertrouwen op een goed voedingspatroon. Anderzijds zijn er de vet oplosbare vitamines die door het lichaam wel in beperkte mate worden opgeslagen, vooral in vetweefsel en lever. Hiertoe behoren vitamine A, D, E en K.

B-vitaminen functioneren als sleutelcomponenten (co-enzymen) van belangrijke enzymen in het lichaam en katalyseren op die manier zeer veel biochemische reacties. Concreet zet vitamine B voedingsstoffen om in energie.

Vitamine B is vooral terug te vinden in volkorengraanproducten, vlees, peulvruchten, melk, groente, aardappelen, ei lever, groene groenten, noten en zeewier. Een gebrek aan het vitamine B-complex kan een hele serie van, vaak vage, klachten doen ontstaan. Een tekort aan het bekende vitamine B12 veroorzaakt zeurende spierpijn of lusteloosheid en depressiviteit.

Van B-vitamines zijn in de doses die in voedingssupplementen gebruikelijk zijn geen contra-indicaties bekend.

Vitamine B-complex formules kunnen een onplezierige, sterke geur veroorzaken, en kunnen misselijkheid veroorzaken als ze op een lege maag worden ingenomen. Deze bijverschijnselen verminderen of blijven uit wanneer het B-complex tijdens de maaltijd wordt ingenomen.

Daarnaast kan de urine helder- tot donkergeel kleuren na gebruik van vitamine B-complex formules. Dit is een onschuldig verschijnsel en is het gevolg van het uitscheiden van een eventuele overmaat aan riboflavine.

Pyridoxine kan de afbraak van het Parkinsonmedicijn Levodopa versnellen, waardoor de effectiviteit van dit medicijn minder wordt. Sommige antibiotica kunnen de hoeveelheden van vitamine B6 en foliumzuur in het lichaam verminderen. Omgekeerd remt foliumzuur de effectiviteit van het anti-epilepticum fenytoïne en fenobarbital. Ook andere interacties met reguliere of natuurgeneesmiddelen zijn mogelijk. Raadpleeg hiervoor een deskundige.

De officieel aanbevolen dagelijkse hoeveelheden van de afzonderlijke B-vitaminen varieert en is niet erg hoog. In het algemeen kan gesteld worden dat veel mensen veel hogere doseringen nodig hebben. Stress en gebruik van koffie en alcohol hebben allen een sterk verhogende invloed op de behoefte aan B-vitaminen. Daar komt nog bij dat onze westerse voeding rijk is aan ‘lege calorieën’ (suikers en geraffineerde koolhydraten), die wel de energie leveren, maar niet (of te weinig) de voedingsstoffen die nodig zijn om deze energie te verwerken. Veel van deze ontbrekende voedingsstoffen zijn de B-vitaminen.

B-vitamines werken vaak samen in een complex en zijn voor hun individuele taken sterk van elkaar afhankelijk. Daarom is het belangrijk dat B-vitamines in een complex worden ingenomen en in voldoende hoge dosering.

B-vitamines hebben bij uitstek een synergistische werking. Wanneer individuele B-vitamines worden ingenomen, is het altijd zinvol daarnaast (of soms zelfs in plaats daarvan) een vitamine B-complex te nemen. Daarbij is het belangrijk dat de B-vitamines in significante hoeveelheden aanwezig zijn.

De werking van vitamine B1 heeft betrekking op het omzetten van glucose in energie en vet. Het is met name betrokken bij de energieproductie en de koolhydraatstofwisseling. Thiamine speelt een belangrijke rol bij de geleiding van zenuwimpulsen. Ook fungeert het bij de vorming van rode bloedcellen en een aantal digestieve processen.

Thiamine komt wijdverspreid voor in voedsel, maar meestal in kleine hoeveelheden. De meest geconcentreerde bron is gedroogde gist. Andere rijke bronnen zijn vlees (met name varken, maar ook lam en rund), gevogelte, hele granen, noten, peulvruchten en melk.

In de praktijk zijn met name hele granen (volkorenproducten) belangrijk voor de voorziening van deze vitamine. In granen is de thiamine vooral aanwezig in de zaadhuid die tijdens het productieproces van witmeel en het polijsten van bruine rijst tot witte rijst wordt verwijderd.

Lichte tot matige thiaminedeficiëntie komt voor bij (gehospitaliseerde) ouderen. Mogelijk draagt dat bij aan de bij deze groep regelmatig optredende neurodegeneratie. Een langdurig tekort aan vitamine B1 wordt in de westerse wereld vrijwel alleen gezien bij chronisch alcoholmisbruik, soms komt het echter ook voor bij chronisch braken.

De hoogste concentraties thiamine worden aangetroffen in het hart, de nieren, de lever en de hersenen, gevolgd door de leukocyten en de rode bloedcellen. Maar de opslagcapaciteit van het lichaam is beperkt. Op een thiaminevrij dieet is de lichaamsvoorraad binnen 4 tot 10 dagen uitgeput. Kort daarop kunnen de klinische symptomen van deficiëntie zich aandienen.

Een lichte thiaminedeficiëntie uit zich in suboptimaal verlopende stofwisselingsprocessen voor de energievoorziening, wat zich kan uiten in moeheid, depressie, concentratieproblemen en geïrriteerdheid. Omstandigheden waarin dit zich kan voordoen zijn zware lichamelijke inspanning, zwangerschap en lactatie, regelmatig gebruik van alcoholische dranken en ziekte.

Een chronisch tekort uit zich in ernstigere deficiëntiesymptomen. Er zijn twee kenmerkende thiaminedeficiëntieziekten, namelijk beriberi en de alcoholisme-gerelateerde thiaminedeficiëntie die zich uit in het syndroom van Wernicke en het syndroom van Korsakov.

Thiamine is niet giftig maar geadviseerd wordt niet meer dan 400 mg per dag in te nemen.

De aanbevolen dagelijkse benodigde hoeveelheid van dit vitamine is 1,4 mg. Zware drinkers, rokers, zwangere vrouwen en vrouwen die de pil gebruiken zouden hun normale dosering moeten opvoeren. De maximale veilige dosis per dag is 400 mg.

De werking van vitamine B2 heeft betrekking op de aanmaak van rode bloedcellen, de ademhaling, de productie van antilichamen en het reguleren van groei en voortplanting.

De vitamine is noodzakelijk voor een gezonde huid, nagels, haargroei en een goede gezondheid in het algemeen, inclusief de regeling van de schildklieractiviteit. Vitamine B2 is een onderdeel van de cofactor FAD (flavine-adenine-dinucleotide).

Riboflavine behoort tot de flavoproteïne. Deze eiwitten katalyseren de redox-reactie in de ademhalingsketen, waarbij het riboflavine in de stappen van de ademhalingsketen waterstof overdraagt in de elektronentransportketen.

De actieve vorm waarin riboflavine voorkomt in cellen en weefsels is riboflavine-5′-fosfaat (of flavine-mononucleotide). Riboflavine-5′-fosfaat wordt in het lichaam enzymatisch geproduceerd uit riboflavine en fungeert als co-enzym voor een aantal oxidatieve enzymen, waaronder NADH-dehydrogenase.

Het komt onder andere in lever, gist, melk en melkproducten voor en in groentes zoals broccoli, asperges en spinazie. De dagelijks benodigde hoeveelheid wordt gedekt bij een normaal eetpatroon. Riboflavine is sterk lichtgevoelig, echter zeer warmtestabiel, zodat het bij het koken behouden blijft.

Bij ontbreken van vitamine B2 ontstaat een gedeeltelijke beschadiging van de weefselademhaling en als gevolg daarvan een stilstand van de groei, buikafwijkingen, afwijkingen aan de lippen, kromgroeien van de vingernagels, atrofie van de tong en maagdarmziekten.

Vitamine B2 is giftig in zeer hoge doses. Zelden voorkomende symptomen zijn jeuk en een brandend gevoel op de huid.

De aanbevolen dagelijks benodigde hoeveelheid riboflavine is 1,6 mg. Een verhoogde dosering is nodig bij zwangerschap, borstvoeding, pilgebruik en zwaar drankgebruik. De maximale veilige dosis per dag is vastgesteld op 400 mg.

Nicotinezuur heeft een belangrijke rol in de energiestofwisseling en de proteïnenstofwisseling. Het is de precursor van het nicotinamide-deel van belangrijke co-enzymen, zoals nicotinamideadeninedinucleotide (NAD/NADH en NADP/NADPH), welke bij een groot aantal redoxreacties zijn betrokken.

Nicotinamide (niacinamide) speelt een rol in de citroenzuurcyclus. Zonder deze vitamine kan er geen goede stofwisseling bestaan en geen omzetting van eiwitten, vetten en koolhydraten.

Nicotinezuur heeft een antioxidatieve werking en neemt aan vele enzymatische processen deel. Het is belangrijk voor de regeneratie van de huid, spieren, zenuwen en het DNA.

Natuurlijke leveranciers van nicotinezuur zijn hoogwaardige eiwitvoedingsmiddelen, zoals kip, wild, vis, paddenstoelen, melkproducten en eieren. Ook lever, koffie, volkorenproducten, verschillende groentes en vruchten bevatten nicotinezuur, waarbij het uit dierlijke producten beter door het organisme wordt opgenomen.

Veganisten dekken de behoefte bijvoorbeeld met pinda’s, granen, dadels, champignons, biergist en gedroogde abrikozen.

De symptomen van een tekort aan vitamine B3 zijn onder andere geïrriteerde huid, slappe ontlasting, slechte adem en ontstoken plekken in de mond. Ook psychische symptomen als angsten, depressiviteit en wantrouwen kunnen wijzen op een tekort aan vitamine B3.

Bij doseringen van meer dan 50 mg nicotinezuur (niet met nicotinamide) kan bloedvatverwijding in de huid optreden (de zogenoemde ‘flush’). Deze flush is het resultaat van omzetting van arachidonzuur in prostaglandines. De prostaglandines op hun beurt zorgen voor vaatverwijding (vasodilatatie). Deze reactie vindt vooral plaats in de celmembraan van huidcellen. De flush duurt echter meestal niet langer dan 20 à 30 minuten en is niet schadelijk.

Bij doseringen tussen 2 en 6 gram per dag kan leverbeschadiging optreden, met name bij gebruik van voedingssupplementen met een vertraagde afgifte van nicotinezuur. Bij hoog gedoseerde nicotinezuursupplementen met een normale afgifte zag men dit effect niet of veel minder.

De aanbevolen dagelijkse hoeveelheid (ADH) van dit vitamine is vastgesteld op 15 tot 18 mg. De maximale veilige dosis voor dit vitamine is voor de twee verschillende vormen verschillend. Voor nicotinezuur is dir 120 mg en voor nicotinamide is dit 300 mg per dag.

Pantotheenzuur of vitamine B5 komt in bijna alle voedingsmiddelen voor. Pantotheenzuur is stabiel onder normale condities, maar kan bij hoge vochtigheid en blootstelling aan zuurstof afgebroken worden.

In het lichaam maakt het deel uit van co-enzym A en speelt daarmee een cruciale rol in het metabolisme van koolhydraten en vetten. Ook is pantotheenzuur betrokken bij de synthese van vetten en cholesterol.

Vitamine B5 komt vrij algemeen voor in verschillende plantaardige en dierlijke producten. Veel komt het voor in eiwit, volkoren producten, noten, rijst, vruchten, groente, melk en biergist.

Omdat vitamine B5 in zoveel verschillende voedingsmiddelen voorkomt treedt een tekort bijna nooit op. Indien er zich toch een tekort aan vitamine B5 voordoet, dan is er vaak ook aan andere vitamines uit de B-groep een tekort. Dit kan leiden tot moeheid, slaapproblemen, depressies, ongevoelige of pijnlijke spieren, haarverlies, immuunzwakte en buikpijn. Ook een brandend gevoel in de voeten en degeneratie van de centrale gezichtszenuw worden gemeld.

Er zijn geen schadelijke effecten bekend van vitamine B5, maar neem doses van meer dan 300 mg per dag alleen onder medische begeleiding. Sommige mensen krijgen maagklachten bij doses hoger dan 1000 mg.

De aanbevolen dagelijkse hoeveelheid (ADH) van dit vitamine is 6 mg per dag. De maximale veilige dosis per dag is op 1000 mg vastgesteld.

De co-enzymvorm van vitamine B6 (pyridoxal-5-fosfaat) is essentieel voor de werking van meer dan honderd vitamine B6-afhankelijke enzymen. Deze enzymen katalyseren diverse biochemische reacties in het lichaam, waardoor de fysiologische functies van vitamine B6 ook sterk uiteenlopen.

Eén van de belangrijkste functies van vitamine B6 is de functie als co-enzym bij alle aminerende en transaminerende reacties. Dit zijn reacties waarbij aminogroepen worden overgedragen. Zo heeft vitamine B6 een belangrijke rol bij de omzetting van aminozuren in neurotransmitters en biogene amines.

Vitamine B6 zorgt voor decarboxylatie van aminozuren, waardoor amines worden verkregen. Veel van deze amines zijn belangrijke neurotransmitters en hormonen. Op deze wijze is vitamine B6 betrokken bij de biosynthese van tenminste vier belangrijke (monoamine) neurotransmittersserotonine, dopamine, adrenaline en noradrenaline. Vitamine B6 is een essentieel component in de omzetting van tryptofaan in serotonine. Een lage vitamine B6 status is dus verantwoordelijk voor lage serotonineniveaus. Een groeiende hoeveelheid onderzoek relateert een lage vitamine B6 inname met depressie.

Op dezelfde wijze verwijdert het een zuurgroep van glutaminezuur om gamma-aminoboterzuur (GABA) te vormen.

Vitamine B6 heeft een belangrijke rol bij de vorming van vitamine B3 (omzetting van tryptofaan). Een lage vitamine B6 status zal deze omzetting remmen. Om deze reden speelt B6 ook een rol in de cholesterolstofwisseling.

In voedsel is vitamine B6 meestal gebonden aan proteïnen. Pyridoxine komt vooral in planten voor, terwijl pyridoxal en pyridoxamine vooral in dierlijk weefsel worden aangetroffen. Zeer rijke dierlijke bronnen van vitamine B6 zijn kip en lever (runderlever, varkenslever)Goede bronnen zijn vlees (ham), vis (tonijn, forel, heilbot, haring, zalm) en eieren. Dierlijke bronnen van vitamine B6 bevatten vooral het goed opneembare pyridoxaal-5-fosfaat en pyridoamine-5-fosfaat. 

Goede plantaardige bronnen van vitamine B6 zijn hele granen, peulvruchten, bananen, noten (walnoten), brood, mais en volkorenbrood. Groenten en fruit zijn relatief arm aan vitamine B6, hoewel sommige producten uit deze categorie toch nog significante hoeveelheden vitamine B6 bevatten, zoals bonen en bloemkool, en rozijnen.

Verliezen tijdens opslag, voedselbereiding en koken kunnen variëren en kunnen oplopen tot meer dan 50 %, afhankelijk van de vorm waarin het vitamine aanwezig is in voedsel. In plantaardige bronnen vindt het minste verlies plaats, aangezien planten voornamelijk pyridoxine bevatten, wat veel stabieler is dan het pyridoxal of pyridoxamine dat in dierlijke bronnen wordt aangetroffen.

Langdurig ernstige tekorten kunnen leiden tot bloedarmoede, gebrek aan eetlust, diarree, zenuwaandoeningen en een verminderde weerstand. Bij pasgeboren baby’s kan een tekort leiden tot stuipen. Ook zijn er genetische afwijkingen in vitamine B6 beschreven waarbij het vitamine B6 niet actief is. De klinische verschijnselen hierbij zijn convulsies of chronische vorm van anemie en cysthathionurie. De kinderen reageren vaak wel op therapie met vitamine B6. Ook zijn er huidafwijkingen beschreven.

De concentratie van vitamine B6 in bloed weerspiegelt de concentratie in de lever en de inname. Concentraties < 35 nmol/L kunnen duiden op deficiëntie. Vitamine B6-deficiënties kunnen worden gezien bij zwangerschap, chronische nierinsufficiëntie en alcoholisme. Omdat vitamine B6 in veel voedingsmiddelen voorkomt, komt een tekort aan vitamine B6 tegenwoordig in België nauwelijks nog voor. Deficiënties van vitamine B6 kunnen door de volgende mechanismen ontstaan: verminderde inname door eenzijdig dieet (zelden), verhoogde behoefte (zwangerschap), remming van alkalische fosfatase gemedieerde opname in de lever (alcoholisme) en verminderde activatie van Vitamine B6 (chronische nierinsufficiëntie)

Gebruik van het geneesmiddel isoniazide, een geneesmiddel tegen tuberculosis, of langdurig gebruik van orale contraceptiva kan leiden tot vitamine B6 deficiëntie.

Pyridoxine is giftig in doseringen boven de 200 mg per dag. Deze hoge doses leiden tot ernstige beschadigingen van de zenuwen.

Bij langdurig dagelijks gebruik van (preparaten met) vitamine B6 kunnen aandoeningen aan de zenuwen in armen en benen ontstaan. Een overschot aan vitamine B6 kan leiden tot het (tijdelijk) ontbreken of verminderen van proprioceptie.

De aanbevolen dagelijkse hoeveelheid (ADH) van dit vitamine is 1,6 tot 2 mg. Vitamine B6 moet altijd ingenomen worden in een vitamine B-complex-preparaat met gelijke hoeveelheden vitamine B1 en B2. Geen inname van meer dan 50 tot 200 mg per dag, tenzij onder medische begeleiding. De maximale veilige dosis is 200 mg per dag.

Biotine (vitamine B8) is een water oplosbare, essentiële B-vitamine. De heterocyclische verbinding (C10H16N2O3S) bestaat uit een tetrahydrothiofeen-ring (met een zijketen van valeriaanzuur) die is gekoppeld aan een imidazolidon-ring. Van biotine zijn acht stereo-isomeren bekend. Alleen D-biotine komt van nature in voeding voor en heeft vitamineactiviteit.

  • Vrijmaker energie uit voedsel en synthetisatie neurotransmitters en insuline

Als co-enzym is het onmisbaar voor het functioneren van vijf carboxylases (enzymen die een carboxylgroep overdragen): pyruvaatcarboxylase, bèta-methylcrotonyl-CoA-carboxylase, proprionyl-CoA-carboxylase en acetyl-CoA-carboxylase type-1 en -2 (ACC-1 en -2). De mitochondriale carboxylases (alleen ACC-1 is in het celcytoplasma aanwezig) spelen een belangrijke rol in vetzuursynthese, gluconeogenese en aminozuurkatabolisme en het vrijmaken van energie uit voedsel (citroenzuurcyclus). Pyruvaatcarboxylase is bovendien betrokken bij de synthese van neurotransmitters en insuline.

  • Regulator celsignalisering, DNA-replicatie en gentranscriptie

Biotine is niet alleen belangrijk voor de activiteit van (biotineafhankelijke) carboxylases, maar ook voor de concentratie van deze enzymen. In-vitro-onderzoek met levercellen liet zien dat een biotinetekort gepaard gaat met afgenomen synthese en toegenomen afbraak van pyruvaatcarboxylase. Naast haar rol als co-enzym, heeft biotine ook een regulerende functie in celsignalering, DNA-replicatie en gentranscriptie. Ruim tweeduizend biotine afhankelijke genen zijn inmiddels geïdentificeerd, waaronder genen die een (centrale) rol spelen in de glucose- en vetstofwisseling en het immuunsysteem.

Veel voedingsmiddelen bevatten kleine hoeveelheden biotine. Goede bronnen van biotine zijn lever, biergist, koninginnengelei, eidooier, sojabonen, tomaten, noten en granen. Biotine wordt uit voedsel vrijgemaakt door het enzym biotinidase (afkomstig van pancreas en intestinale mucosae) en wordt vooral in het bovenste deel van de dunne darm (jejunum) opgenomen. Daarnaast wordt biotine door de dikkedarmflora gesynthetiseerd. De bijdrage hiervan aan de totale biotine-inname is vermoedelijk klein (1,5 tot 2 %).

Het lichaam van een volwassene bevat naar schatting 1 milligram biotine. Het is nog onduidelijk hoeveel biotine een mens dagelijks nodig heeft. De gezondheidsraad heeft geen adequate inname (AI) vastgesteld. In de Verenigde Staten geldt een AI van 30 à 100 microgram per dag (vanaf 19 jaar). Het Scientific Committee on Food (SCF) – dat deel uitmaakt van de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid (European Food Safety Authority, EFSA) – noemt een referentiewaarde van 15 à 100 microgram per dag (vanaf 15 jaar).

Een uitgesproken biotinedeficiëntie is zeldzaam (mede omdat biotine gerecycled wordt). Het kan optreden bij mensen die veel rauw (avidinebevattend) kippeneiwit eten, een erfelijke stofwisselingsstoornis hebben (biotinidasedeficiëntie, multiple carboxylase deficiëntie), ernstig ondervoed zijn of langdurig voeding die geen biotine bevat via een infuus ontvangen.

Biotinedeficiëntie gaat gepaard met (niet-specifieke) symptomen, waaronder huidafwijkingen (bleke huidskleur, rode, droge, schilferende dermatitis, vaak rond de ogen, neus en mond), glossitis, verminderde eetlust, anorexia, misselijkheid, overgeven, vermoeidheid, spierpijn, bloedarmoede, depressie, verminderde afweer, haaruitval, verlies van haarkleur, epileptische aanvallen en paresthesieën (tintelingen, jeuk, kriebel) in de ledematen.

Biotine is een veilig supplement. Mensen die dagelijks zeer hoge doses biotine (tot 200 mg biotine oraal of 20 tot 50 mg intraveneus) gebruiken, ondervinden hiervan geen nadelige gevolgen. Toxiciteit van biotine is bij de mens nooit vastgesteld. Toch is het belangrijk vast te stellen wat een veilige bovengrens van inname is omdat in recent dieronderzoek is vastgesteld dat biotine bij hoge inname kan accumuleren in het lichaam.

Biotine wordt uit supplementen vrijwel voor 100 % opgenomen, ook in hoge doseringen. Als biotine wordt toegevoegd aan een zalf, wordt de vitamine via de huid opgenomen.

De doseringen biotine die worden gebruikt, variëren aanzienlijk. Bij broze nagels wordt 2,5 mg per dag gebruikt, 9-16 mg per dag bij diabetes, 15 mg bij hyperlipidemie (vooral hypertriglyceridemie), 5-15 mg bij biotinedeficiëntie en maximaal 200 mg per dag bij biotineafhankelijke stofwisselingsstoornissen.

  • Transport van één-koolstofgroepen

Folaat (de vorm waarin foliumzuur in het lichaam actief is) speelt een belangrijke rol bij het transport van één-koolstofgroepen (vooral methylgroepen, maar ook methyleen- en formylgroepen). Het aanhechten van een methylgroep aan DNA, RNA, aminozuren, histonen en verschillende neurotransmitters wordt ook wel methylering genoemd. Methylering speelt een zeer belangrijke rol in het behoud van fysiologische lichaamsfuncties. Geactiveerd foliumzuur is daarbij donor van methylgroepen. Storing van methyleringsprocessen kan ernstige gevolgen hebben zoals hartinfarcten, gedragsstoornissen en dementie.

  • Celdelingsprocessen

Vanwege het belang van de methylering voor de synthese, stabiliteit en herstel van het DNA is foliumzuur enorm belangrijk voor alle lichaamsprocessen waar celdeling een belangrijke rol speelt. Tekorten tonen zich daarom vooral in de sneldelende cellen.

Zo is foliumzuur erg belangrijk voor de ontwikkelende foetus, met name voor de ontwikkeling van het zenuwstelsel. In zeer veel gevallen kunnen zwangerschappen die gepaard gaan met neurale buisdefecten (onder andere spina bifida: ‘open ruggetje’) in verband gebracht worden met verhoogde homocysteïnegehaltes en een verstoorde foliumzuurstofwisseling.

  • Vorming van rode bloedcellen

Verder is foliumzuur belangrijk voor de vorming van rode bloedcellen. Dit hangt samen met het feit dat foliumzuur als methyldonor fungeert bij de vorming van haem.

Omdat de stofwisseling van foliumzuur en vitamine B12 vaak hand in hand gaan, is het verstandig bij de keuze van een foliumzuurproduct er op te letten dat er behalve foliumzuur ook voldoende vitamine B12 in het product aanwezig is.

Foliumzuurdeficiëntie wordt beschouwd als één van de meest voorkomende vitaminedeficiënties. Er zijn diverse factoren die tot een foliumzuurdeficiëntie kunnen leiden: een deficiënte voeding, malabsorptie, verhoogde behoefte, medicijngebruik, ouderdom, verhoogde verliezen en enzymdeficiëntie.

Megaloblastaire anemie is een bekende deficiëntieziekte van foliumzuur. Maar de laatste jaren komt ook een verhoogd homocysteïnegehalte meer in de belangstelling als symptoom van foliumzuurdeficiëntie. Homocysteïne is een toxisch stofwisselingsproduct, dat normaal gesproken met behulp van geactiveerd foliumzuur (5-MTHF) wordt afgebroken. Als dit proces gestoord is, kan homocysteïne zich ophopen. Een verhoogd homocysteïne-gehalte gaat gepaard met een verhoogd risico op hart- en vaatziekten (o.a. veneuze en arteriële trombose, hartinfarcten en cerebrovasculaire accidenten). Foliumzuursuppletie blijkt het homocysteïnegehalte te kunnen verlagen.

Een groot aantal medicijnen blijkt negatief op de foliumzuurstatus in te werken. Bij patiënten die met dergelijke medicijnen worden behandeld dient met een verminderde werking van de medicatie als gevolg van foliumzuurgebruik rekening te worden gehouden.

Hoge doseringen (5-10 mg) foliumzuur kunnen bij epileptici soms toevallen uitlokken. Daarom wordt voorzichtigheid aangeraden bij gebruik van hoge doseringen foliumzuur door epileptici.

Sommige wetenschappers stellen dat foliumzuur de zinkabsorptie zou remmen. Echter de overgrote meerderheid van het bewijs ondersteunt deze bewering niet. Ook bij doseringen van 5-15 mg foliumzuur per dag blijkt het geen enkel effect op de zinkstatus te hebben bij gezonde proefpersonen.

In een recente vaststelling van de maximaal veilige niveaus van foliumzuur in voedingssupplementen door de Scientific Committee on Food zegt de commissie dat van foliumzuur in een dosering tot 5 mg per dag geen negatieve gevolgen zijn vastgesteld. De commissie constateert wel dat hoge doseringen foliumzuur het vaststellen van een vitamine B12-deficiëntie kunnen bemoeilijken, maar dit wordt een diagnostisch probleem genoemd dat met specifiekere tests (bepaling van methylmalonzuur en/of homocysteïne) kan worden omzeild. Om deze reden wordt aan goede foliumzuurformules ook vitamine B12 toegevoegd.

Foliumzuur wordt geantagoneerd door verschillende medicijnen. Hier volgen de belangrijkste: Methotrexaat, Trimethoprim, Lachgas (N2O), fenytoïne, Anticonceptiepil, Triamtereen, Anti-epileptica, Barbituraten, Metformine, Carbamazepine, fenobarbital, Prim-idone. Ook andere interacties met reguliere of natuurgeneesmiddelen zijn mogelijk. Raadpleeg hiervoor een deskundige. Daarnaast belemmert alcohol de enterohepatische kringloop van foliumzuur.

Doseringsadviezen voor foliumzuur kunnen variëren tussen 0,4 mg per dag en 10 mg per dag of meer, afhankelijk van de ernst van de aandoening of gezondheidsprobleem.

Foliumzuur is vooral effectief wanneer de andere B-vitaminen, met name vitamine B12 en B6 aanwezig zijn. Ook vitamine C werkt synergistisch met foliumzuur. Het gebruik van een B50-complex of een goede multi en vitamine C naast foliumzuur wordt daarom aanbevolen.

Cobalamine wordt in de maag vrijgemaakt van de omhullende eiwitten uit het voedsel door de werking van maagzuur en enzymen. Vervolgens bindt het aan r-factor, een eiwit geproduceerd door de speekselklieren, en wordt het naar de twaalfvingerige darm vervoerd. Door enzymen uit de alvleesklier wordt de verbinding met het r-factor verbroken, en bindt cobalamine met intrinsic factor. Dit is een glycoproteïne gemaakt in de pariëtale cellen in de maagwand. Het gevormde complex wordt vervolgens opgenomen in het laatste stuk van de dunne darm door specifieke receptoren. Circa één procent kan passief worden opgenomen, zonder intrinsic factor of receptoren in de darm.

Cobalamine fungeert bij de vorming van myeline. Dit eiwit omhult de zenuwuitlopers waardoor de impulsgeleiding van de zenuw wordt versneld.

Vitamine B6, B12 en foliumzuur

Cobalamine zorgt samen met vitamine B6 (pyridoxine) en B11 (foliumzuur) voor de opname van ijzer door het lichaam en is betrokken bij de vorming van rode bloedcellen. Een tekort aan deze vitaminen kan lijden tot bloedarmoede. Deze drie vitaminen zorgen ook voor een goede werking van het zenuwstelsel en zijn betrokken bij het aminozuur metabolisme.

Vitamine B6, B12 en foliumzuur zijn stoffen die essentieel zijn bij het normaliseren van een verhoogd homocysteïnegehalte.

Daarnaast kunnen deze ingrediënten hun nut bewijzen bij een aantal andere aandoeningen, waaronder premenstrueel syndroom (PMS), waarbij vaak sprake is van (relatieve) vitamine B6-deficiëntie.

Deze drie B-vitamines spelen allen een belangrijke rol in zogenaamde methyleringsreacties in het lichaam, een belangrijk biochemisch proces waarbij een methylgroep (-CH3) wordt overgedragen. Daarbij leveren foliumzuur en vitamine B12 de benodigde methylgroepen. Het terugvormen van methionine uit het schadelijke homocysteïne is een belangrijk voorbeeld van een methyleringsreactie. Maar ook voor veel andere belangrijke reacties in het lichaam, zoals de synthese van neurotransmitters en de DNA-synthese, is een goed functionerende methylering essentieel.

Cobalamine of vitamine B12 zit in onder andere vleessoorten vooral lever, zuivelproducten (kaas, melk, yoghurt) en bruin brood.

De symptomen van een tekort aan vitamine B12 zijn divers maar met name lusteloosheid, ontstekingen aan tong en mondslijmvlies, zenuwontstekingen en stijve spieren. Wanneer mensen lange tijd geen vitamine B12 in zich op hebben kunnen nemen, wordt de zoutzuurproductie in de maag verminderd en hierdoor kan er uit het voedsel geen vitamine B12 meer worden opgenomen.

Om deze neergaande spiraal te onderbreken, is vaak een aantal injecties met vitamine B12 nodig. Zodra het lichaam weer in staat is zelf deze vitamine op te nemen, kunnen de injecties verminderd worden of gestopt. Sommige mensen hebben echter andere oorzaken waarom het lichaam vitamine B12 niet opneemt. Voor hen is het meestal noodzakelijk regelmatig vitamine B12 geïnjecteerd te krijgen.

Voor ouderen zijn de symptomen vaak minder gemakkelijk te herkennen omdat deze vaak aan de leeftijd worden gekoppeld: dementie en zwakzinnigheid. Echter is gebleken dat vaak de oorzaak ook te zoeken is in een tekort aan vitamine B12.

Vitamine B12 wordt als niet giftig beschouwd. Toch wordt aangeraden maximaal 200 mg per dag te nemen.

Er is een groot aantal medicijnen en andere stoffen die negatief inwerken op de absorptie en het metabolisme van vitamine B6, vitamine B12 en foliumzuur, met name van foliumzuur en vitamine B6. Enkele voorbeelden zijn de anticonceptiepil, alcohol, diverse barbituraten en een aantal chemotherapeutica (vooral methotrexaat). Ook pancreasextract kan negatief inwerken op foliumzuurabsorptie, en dient apart van de genoemde B-vitamines te worden ingenomen. Ook andere interacties met reguliere of natuurgeneesmiddelen zijn mogelijk. Raadpleeg hiervoor een deskundige.

Therapeutische doseringen zink variëren meestal vanaf 15 tot en met 60 mg elementair zink per dag. Een onderhoudsdosering bedraagt circa 15 mg elementair zink per dag. Voor kinderen moet de dosering worden aangepast, gerelateerd aan het lichaamsgewicht. Verstoringen op het calcium- en kopermetabolisme zijn bij onderhoudsdoseringen niet te verwachten. Wel bestaan er aanwijzingen voor dergelijke verstoringen wanneer doseringen van 100 mg of meer elementair zink worden gebruikt.

Vrouwen die de anticonceptiepil slikken, hebben vaak verhoogde koperspiegels en een verhoogde behoefte aan zink. Ook een aantal andere medicijnen (thiazidediuretica, corticosteroïden, steroïdhormonen, tetracyclines, furosemide, colchicine) hebben een negatief effect op de zinkstatus. Vooral thiazidediuretica kunnen de zinkexcretie met 60% verhogen. Langdurig gebruik van deze medicatie maakt het monitoren van de zinkstatus noodzakelijk. Zinksuppletie verlaagt de hoeveelheid tetracycline die in het bloed wordt opgenomen. Zinksupplementen en tetracyclines moeten daarom minimaal 2 uur van elkaar gescheiden worden ingenomen.

Cadmium is een antagonist van zink en cadmiumvergiftiging (bijvoorbeeld door roken) heeft een dramatisch effect op de zinkstatus. Ook ijzer en calcium remmen de zinkabsorptie. Eiwitten verbeteren de zinkabsorptie.

Zink in een andere vorm dan zinkmethionine vormt niet-opneembare complexen met de fytaten in granen, rijst en maïs, de oxalaten uit bepaalde groenten (bijv. rabarber) en tanninen (bijv. thee.rode wijn).

Over het algemeen wordt zink goed verdragen. Doseringen van 100-150 milligram per dag kunnen soms misselijkheid en overgeven veroorzaken, vooral wanneer het supplement op nuchtere maag wordt ingenomen. Deze verschijnselen treden op bij zinksulfaat (220 mg zinksulfaat = 50 mg elementair zink).

Van andere vormen van zink zijn deze verschijnselen minder of niet bekend. Alhoewel voldoende zink een belangrijk mineraal is om de prostaat gezond te houden, zouden hoge doseringen zink de tumorprogressie bij een zich ontwikkelend prostaatcarcinoom juist kunnen bevorderen (zie doseringen).

Zink heeft zoveel belangrijke functies in het lichaam en zinkdeficiëntie komt dermate vaak voor, dat er bij de behandeling van aandoeningen in de dagelijkse praktijk vaker aan de zink gedacht zou moeten worden.

Rokers zijn goede kandidaten voor chronische zinkdeficiëntie, omdat cadmium uit sigarettenrook een antagonist is van zink. Ook bij alcoholisten wordt vaak zinkdeficiëntie geconstateerd. Een relatief kleine hoeveelheid alcohol bevordert reeds de zinkuitscheiding en remt de inbouw van zink in de lichaamsenzymen. Alcoholisten hebben vaak een verminderde voedselinname die tevens bijdraagt aan de zinkdeficiëntie. Onder ouderen komt eveneens veel zinkdeficiëntie voor. Bij hen is vaak zowel de zinkinname als de zinkabsorptie verminderd.

Andere risicofactoren zijn: hoge consumptie van gemaksvoedsel (bijvoorbeeld fosfaten uit frisdranken binden zink), vegetarisme, verwonding, chirurgie, infecties, sportbeoefening, frequente ejaculatie, chronische aandoeningen (zoals sikkelcelanemie, nier- en leveraandoeningen), hoge inname van koper en langdurige blootstelling aan milieutoxinen.

Tevens is gebleken dat kwikresiduen in ons voedsel het zinkmetabolisme verstoren en de zinkbehoefte vergroten. Kwikresiduen zijn afkomstig van het zoetmiddel HCFS (High Fructose Corn Syrup) dat veel gebruikt wordt in limonade en koek en bijvoorbeeld pesticiden op fruit. Vooral de hersenen van kinderen zijn extra gevoelig voor het toxische kwik.

Het westerse voedingspatroon wordt gekenmerkt door veel geraffineerde granen, suikers, gemaksvoedsel en vet. Dit patroon bevat te weinig zink en andere waardevolle mineralen. Wanneer de behoefte vergroot is (bijvoorbeeld bij immuunzwakte, groeispurts, operatie of zwangerschap/lactatie), treden snel tekorten optreden.

Eiwitrijk voedsel is in het algemeen een rijke natuurlijke bron van zink. Vooral oesters bevatten zeer veel zink, maar kunnen ook hoge gehalten aan zware metalen bevatten. Rood vlees en krab en in iets mindere mate gevogelte en vis zijn eveneens goede bronnen. Bij plantaardig voedsel gaat het om hele granen, peulvruchten, noten (pecannoten) en zaden (pompoenpitten).

Bij raffinage van de granen gaat tot 80 % van het zink verloren, omdat zink vooral aanwezig is in de schilletjes en vliesjes. Groenten en fruit bevatten relatief weinig zink. Lactovegetariërs die veel peulvruchten en noten eten, zullen maar net voldoende zink binnenkrijgen. De hoeveelheid opneembaar zink kan door de vele antinutriënten van deze voeding toch te laag zijn. Een strikt vegetarische voeding levert dus in het algemeen te weinig zink voor het lichaam.

Zink picolinaat wordt gevormd door de binding van zink met picolinezuur. Deze bijzondere vorm van zink wordt beter opgenomen dan andere vormen en is vriendelijk voor de maag. Zink ondersteunt het herstellend vermogen van de huid. Het heeft een groot effect op ons immuunsysteem en is een belangrijk onderdeel van enzymen die als antioxidant werken.

Hoewel de eerste publicatie over het belang van zink voor de mens pas in 1963 verscheen, is inmiddels duidelijk dat het één van de belangrijkste spoorelementen is. Zink komt in iedere lichaamscel voor en maakt waarschijnlijk deel uit van meer enzymsystemen dan welk ander mineraal ook. Zo is zink een cofactor voor het enzym delta-6-desaturase dat betrokken is bij de synthese van vetzuren die zeer belangrijk zijn voor onze celmembranen, dus ook die van onze hersencellen.

  • Regulator neuro- en immunotransmitters

Verder speelt zink een belangrijke rol bij de regulatie van neuro- en immunotransmitters waardoor zink zowel immunologische als gedragsparameters kan beïnvloeden. Aangezien zink noodzakelijk is voor alle celgroei- en differentiatieprocessen, wordt er bij wondgenezing, opgroeiende kinderen, zwangerschap en lactatieperiode, een groot beroep gedaan op de zinkverzorging. Het kan zelfs moeilijk zijn om uit een gezonde voeding voldoende zink te halen, tenzij heel specifiek gelet wordt op zinkrijke producten en juiste combinaties. Daarbij heeft het lichaam geen opslagmogelijkheden voor zink en is derhalve afhankelijk van een dagelijks toereikende inname.

De aanbevolen dagelijkse hoeveelheid van dit vitamine is 0,001 mg (1 microgram). Doseringen van 5 – 50 microgram zijn voor de meeste mensen voldoende. Neem hogere doseringen alleen op advies van de dokter. De maximale aanbevolen veilige dosis is 200 mg per dag.

Om de diverse metabolische functies te kunnen vervullen, heeft zink een aantal synergisten nodig. Vitamine A en C zijn essentieel voor het effect op het immuunsysteem en de B-vitaminen, chroom en vanadium voor de glucosehuishouding. Bovendien komt zinkdeficiëntie meestal nooit alleen voor. Vaak zijn meerdere deficiënties in het spel.