Op voorraad

Aantal
Totaal

19,18

Gebruik

1 capsule per dag

Samenstelling per capsule

lnositol 250 mg
N-acetyl-L-tyrosine 150 mg
Groene thee extract 100 mg
GABA 50 mg
Crocus sativus extract: Saffraan 20 mg
L-phenylalanine 10 mg
Vitamine D3 (cholecalciferol) 10 mcg (400IU)
Vitamine B6 1,5 mg
Vitamine B1 1,21 mg
Vitamine B9 0,22 mg

Bevat geen allergenen

Indicaties

Angst, spanning, stress, hormoonbalans, stemming, hersenfunctie, slapeloosheid, depressie, geheugen, concentratie

Verpakking

60 capsules

 

Inline feedbacks
Bekijk alle reacties

Serotomix Plus zorgt voor een kalmerend effect, een goede nachtrust en remt angst, stress en depressieve gevoelens. De unieke samenstelling geeft innerlijke rust tijdens spanningen en emotioneel beladen perioden. Serotomix Plus bevat onder meer saffraan-extract, bekend om zijn rustgevende kracht en stimulans van het gelukshormoon serotonine, en groene thee-extract, dat een goede nachtrust bevordert.

Het uitgebreide vitamine B-complex in Serotomix Plus is een natuurlijke geheugenbooster en heeft een positief effect op concentratieproblemen. GABA zorgt voor rust bij slaapproblemen. Extra vitamine D remt depressieve en angstgevoelens. Inositol vermindert het angst- en stressniveau in de hersenen. Serotomix Plus bevat ook het krachtige brain supplement N-acetyl-L-tyrosine en L-phenylalanine, dat wordt omschreven als de motor van onze gelukshormonen. Serotomix Plus zorgt opnieuw voor balans.

Een neurotransmitter is een signaalstof die in synapsen zenuwimpulsen overdraagt tussen zenuwcellen (neuronen) in het zenuwstelsel of impulsen overdraagt van motorische zenuwcellen op spiercellen of van zenuwreceptoren op sensorische zenuwcellen. Een stof wordt over het algemeen beschouwd als neurotransmitter wanneer het voldoet aan vier criteria: 1) de stof wordt gesynthetiseerd in de zenuwcel, 2) de stof is aanwezig in het presynaptische uiteinde van een zenuwcel en wordt in zulke hoeveelheden afgescheiden dat het een duidelijke actie uitlokt in het postsynaptische neuron of het orgaan waaraan het is verbonden, 3) als een redelijke hoeveelheid van de stof van buitenaf (exogeen) wordt toegediend, moet de stof de werking van de endogeen afgescheiden stof nabootsen, en 4) er bestaat een specifiek mechanisme voor het verwijderen van de stof van de plek waar het actief is.

Er zijn neurotransmitters die de activiteit van de zenuwcel die zij bereiken stimuleren (exciteren) en er zijn neurotransmitters die de activiteit van het bereikte neuron remmen (inhiberen). De belangrijkste exciterende neurotransmitter is glutamaat. De belangrijkste inhiberende neurotransmitter is GABA (gamma-aminoboterzuur). Stoffen die de werking van een neurotransmitter stimuleren, noemen we agonisten. Stoffen die de werking remmen, noemen we antagonisten. Er zijn ook stoffen die de activiteit van de afbreekenzymen voor neurotransmitters stimuleren of remmen. Deze stoffen hebben dus indirect invloed op de activiteit van neurotransmitters. Veel sterke natuurlijke en synthetische toxines en geneesmiddelen werken direct of indirect in op neurotransmitters en/of hun receptoren.

Dopamine is verantwoordelijk is voor gezonde assertiviteit, seksuele opwinding, een sterk immuunsysteem en een optimaal functionerend zenuwstelsel, belangrijk om angst te remmen. Dopamine geeft assertiviteit (kracht) op zowel fysiek, emotioneel als mentaal niveau.

Dopamine is een kwetsbare neurotransmitter. Het dopaminegehalte wordt snel verlaagd door stress of slaaptekort. Ook alcohol, cafeïne, drugs, nicotine en suiker verlagen de dopamineactiviteit in de hersenen. Deze stoffen werken verslavend omdat het in eerste instantie het dopamineniveau verhoogd. Dat geeft een plezierige sensatie. Op een bepaald moment gebeurt het omgekeerde. Het dopamineniveau daalt en men voelt zich onprettig. Er zijn dan steeds grotere hoeveelheden van deze stoffen nodig om dat onprettige gevoel op te heffen.

Gamma-aminoboterzuur (GABA) is de belangrijkste inhibiterende (de werking van andere neuronen remmende) neurotransmitter in de hersenen. GABA is volop aanwezig in de hersenen, vooral bij de synaptische transmissies, in de grijze hersenstof en in het nigrostriatale systeem. GABA helpt het functioneren van de hersenen in balans te houden. Het helpt uitschieters op ieder denkbaar terrein te voorkomen door tijdig af te remmen. Hierdoor faciliteert GABA het basisgevoel van veiligheid.

Afkicken van een alcoholverslaving en vitamine B-tekorten verminderen de effectiviteit van GABA. Stoffen die de werking van GABA versterken noemen we GABA-agonisten. Veel gebruikte ‘geneesmiddelen’ die GABA-agonist zijn, kennen we als: Baclofen, barbituraten en Benzodiazepines. Alcohol versterkt de werking van deze stoffen. Dit zijn echter nare stoffen met dito bijwerkingen.

GABA kent zogenaamde cofactoren, onmisbare stoffen die nodig zijn voor de productie van GABA. Zonder voldoende van deze cofactoren hapert de GABA productie. Deze cofactoren zijn: vitaminen B1, B6, B12, magnesium, mangaan en taurine.

Serotonine is vooral een kalmerende en regulerende neurotransmitter. Het zorgt voor de eetlust, de spieropbouw, een gevoel van tevredenheid, een natuurlijk slaappatroon (serotonine reguleert ook het vrijkomen van melatonine uit de epifyse, de biologische klok), en reguleert de bloeddruk, de seksuele activiteit, het geheugen en het leren. Serotonine bevindt zich voor 95 % in de maag en darmen. Veel mensen met serotoninetekort hebben dan ook darmproblemen, met name PDS.

Endorfine roept meestal associaties op met pijn of genot, zoals het eten van chocolade. De werking van endorfine is echter veel ruimer. Het endorfinesysteem moduleert meer dan honderd lichaamsfuncties. Zo zorgt endorfine voor vrijgave van dopamine en insuline en vermindert ze allergische reacties en voedselovergevoeligheden. Endorfine is het snelst werkende antistresshormoon. Het is een natuurlijk antidepressivum en een natuurlijke angstremmer. Endorfine beschermt ons bovendien tegen ouderdomsverschijnselen en kanker. Deze stof speelt een belangrijke rol in socialisatie, leerprocessen en zingeving van het leven. Mensen met een verminderde endorfinegevoeligheid ervaren vaak dat ze iets tekortkomen in het leven. Dit gevoel compenseren ze bijvoorbeeld door meer te eten, harder te werken of drugs te gebruiken. Zo hopen ze het ‘lege’ gevoel te verzachten.

Inositol (onderdeel van het vitamine B-complex) is een suiker en wordt beschouwd als een niet-essentiële vitamine die in alle weefsels aanwezig is, zelfs overvloedig in het zenuwstelsel (myelineschede). Hersenen en hart bevatten de hoogste concentraties. Eigenlijk is het geen echte vitamine aangezien de cellen in het organisme glucose kunnen omvormen in inositol. Inositol helpt de groei en het aantal cellen controleren en voorkomt zo een overgroei van cellen (kanker). Inositol is onmisbaar voor de goede werking van de hersenen en een tekort kan stoornissen van het zenuwstelsel en het humeur uitlokken.

Samen met choline is het een van de aanmaakstoffen voor de hersenen en helpt het om de weerstand tegen stress te verhogen. Verder is inositol belangrijk voor een gezonde haargroei. Ook is het van belang bij de groei en ontwikkeling van beenmerg- en darmcellen. Inositol stimuleert de lever en de darmwerking.

Onderzoek wees uit dat mensen met lage inositol-niveaus een veel hogere kans hebben om te lijden aan een geestelijke ziekte, waaronder een bipolaire stoornis. Inositol-suppletie gaat stemmingswisselingen, vermoeidheid, gebrek aan motivatie tegen en heeft zo een gunstig effect op depressie. Na inname van inositol werd een toenemende activiteit van serotonine-receptoren in de hersenen vastgesteld. Serotonine is nauw verbonden met de stemming en gevoelens van welbevinden.

Een ander gerelateerd effect van inositol is het verminderen van niveaus van angst en stress in de hersenen. GABA is een remmende neurotransmitter die wordt gebruikt om de hersenactiviteit te reguleren en overspanning van bepaalde zenuwbanen te voorkomen. Door de doeltreffendheid op de GABA-transmissie voorkomt inositol het ontstaan ​​van angst- en paniekaanvallen.

Belangrijke bronnen van inositol zijn lever, biergist, grapefruit, rozijnen, tarwekiemen, pinda’s, meloen, bonen, koolsoorten en volkorenproducten.

Inositol-tekort kan leiden tot haaruitval, eczeem en constipatie. Het kan ook resulteren in ernstigere klachten zoals depressiviteit en angststoornissen.

Diabetespatiënten dienen inositol alleen te nemen onder begeleiding van een arts.

Geen problemen werden vastgesteld met normale doses. Toch bestaat er onvoldoende bewijskracht om de veiligheid tijdens zwangerschap en/of de lactatieperiode te bevestigen.

Mogelijke interacties met antibiotica (de endogene inositol-synthese wordt gestopt door antibiotica (risico op tekort)). Cafeïne (koffie, thee, cola) reduceert inositol (risico op tekort).

Natuurlijke bronnen zijn het best. In voedingssupplementen in de vorm van myo-inositol tot maximaal 1.000 mg per dag.

N-acetyl-L-tyrosine is een brain supplement dat snel gegroeid is in populariteit. Dit aminozuur is essentieel voor een aantal verschillende lichaamsfuncties zoals cognitieve processen, spieropbouw en celherstel. Inname van N-acetyl-L-tyrosine kan topprestaties ondersteunen van zowel de hersenen als het lichaam door het verminderen van stress, het stimuleren van de geest en het verbeteren van neurale communicatie. Het is een van de versterkingssupplementen die evenwichtigere neurotransmitterniveaus kunnen bevorderen.

L-tyrosine behoort tot de semi-essentiële aminozuren. Dat wil zeggen: het wordt in het lichaam gemakkelijk gevormd uit phenylalanine, maar in bepaalde omstandigheden kan er ook gemakkelijk een tekort aan L-tyrosine ontstaan. L-tyrosine is een belangrijke bouwsteen van zowel dopamine, adrenaline, noradrenaline en schildklierhormonen, allen stimuli van de stofwisseling en het zenuwstelsel.

Tyrosine staat bekend om zijn antidepressieve werking en kan met name van belang zijn voor mensen met een druk leven, stress of een hoge chemische belasting. Omgevingsstress gaat gepaard met verlaagde niveaus van noradrenaline. Tyrosine voorkomt de reductie van noradrenalineniveaus. Het heeft tevens een mild antioxidatief effect.

In de aangegeven dosering zijn geen contra-indicaties bekend.

Voor zover bekend veroorzaakt N-acetyl-L-tyrosine in de aangegeven dosering geen bijwerkingen.

Interacties met reguliere of natuurgeneesmiddelen zijn mogelijk. Raadpleeg een deskundige.

Een gebruikelijke dosering L-tyrosine is 400 tot 1600 mg per dag. De behoefte kan verder oplopen tot enkele grammen per dag. Tyrosine-suppletie dient gescheiden van de maaltijd plaats te vinden (tenminste dertig minuten of twee uur na de maaltijd).

Om de omzetting van L-tyrosine naar belangrijke neurotransmitters te ondersteunen zijn enkele cofactoren nodig, waarin het best kan worden voorzien door het innemen van een goede multi bij de maaltijd.

Groene thee wordt in China al 5.000 jaar gedronken. Het is van dezelfde plant afkomstig als zwarte thee. Groene theebladeren worden echter licht gestoomd voordat ze worden gedroogd, waardoor de fermentatie-enzymen worden geïnactiveerd en fermentatie niet optreedt. Tijdens het fermenteren worden de gezondheidsbevorderende polyfenolen geoxideerd en worden cafeïne en de typische thee-aromastoffen van zwarte thee gevormd. Diverse epidemiologische studies naar de consumptie van ongefermenteerde groene thee tonen sterke aanwijzingen van een beschermend effect van groene thee bij een groot aantal serieuze aandoeningen.

Het geheime wapen van groene thee: L-theanine

Uit een recent Japans onderzoek blijkt dat een bepaalde stof in groene thee, L-theanine, een goede nachtrust bevordert. Proefpersonen uit het onderzoek die elke avond voor het slapen een hoeveelheid van deze stof innamen, hadden minder vermoeidheidsklachten en voelden zich overdag minder slaperig.

L-theanine (γ-glutamylethylamide, 5-N-ethyl-glutamine) is een wateroplosbaar, op glutamine gelijkend aminozuur dat thee zijn karakteristieke smaak geeft. Het unieke aminozuur behoort niet tot de essentiële aminozuren, noch tot de niet-essentiële aminozuren en wordt niet in lichaamseiwitten ingebouwd. Theanine wordt na inname snel opgenomen en heeft meestal al binnen dertig minuten een (dosisafhankelijk) ontspannend en kalmerend effect, zonder dat sufheid of slaperigheid optreedt. De ontspanning gaat gepaard met toename van alfagolven in de hersenen (bij een dosis vanaf 50 mg). Voor het slapen ingenomen kan theanine de slaapkwaliteit verbeteren. Theanine beïnvloedt verschillende neurotransmittersystemen in de hersenen (GABA, dopamine, serotonine, glutamaat). Vooral in combinatie met cafeïne zorgt theanine voor toename van mentale alertheid en focus, terwijl mentale vermoeidheid minder snel optreedt. Theanine heeft neuroprotectieve eigenschappen en remt leeftijdsgerelateerde cognitieve achteruitgang.

L-theanine heeft ook een duidelijk en meetbaar effect op de hersenactiviteit. In een studie met gezonde vrijwilligers blijkt L-theanine de hersenen in een relaxerende staat te brengen (meer alfagolven). De gezonde vrijwilligers kregen 50 mg L-theanine (equivalent aan 2½ kop zwarte thee) of placebo. Kortom, het moge duidelijk zijn dat L-theanine een angstverminderend effect heeft, en dat L-theanine zo ook positieve effecten kan hebben op stress.

Theanine is inmiddels geworden tot een van de best onderzochte natuurlijke rustgevende, stressverminderende en slaapbevorderende stoffen. Het is een bijzondere stof die niet alleen rustig maar ook helder maakt. Van theanine komt het hele zenuwstelsel tot rust. Uit studies is gebleken dat theanine ook een positief effect heeft op het concentratievermogen.

L-theanine is een bijzonder aminozuur dat bijna alleen voorkomt in de theeplant Camellia sinensis (groene of zwarte thee). Een kop thee bevat circa 8 tot 20 mg theanine (1 tot 2 % van het drooggewicht).

Bij zwangerschap en het geven van borstvoeding.

Bij een voorgeschiedenis van bloedingen of maagaandoening innemen op voorschrift van een arts.

Interacties met reguliere of natuurgeneesmiddelen zijn mogelijk. Raadpleeg een deskundige.

Voor therapeutische doeleinden gebruikt men enkel de groene en witte thee die het rijkste zijn aan polyfenolen. De aangeraden dagdosis groene thee bedraagt het equivalent van 3 tot 10 gram gedroogde theeblaadjes. In termen van polyfenolen worden therapeutische dagdoses van 100 tot 500 mg aangeraden, en als onderhoud 50 tot 100 mg per dag.

L-theanine kent synergie met cafeïne. Zo versterkt cafeïne het effect van L-theanine op het denkvermogen.

Gamma-aminoboterzuur (GABA) is een niet-essentieel aminozuur en de belangrijkste remmende neurotransmitter in het centraal zenuwstelsel (CZS). Neurotransmitters zijn de boodschapperstoffen die de communicatie tussen de verschillende neuronen mogelijk maken. In de hersenen is er een balans tussen stimulerende en remmende neurotransmitters. Wanneer er een teveel aan overactiviteit in de neuronen ontstaat, waarborgt GABA de natuurlijke balans door de overactieve neuronen in hun werking te remmen. Het remt als het ware de zenuwimpulsen en draagt bij tot een optimaal opwindingsniveau. GABA heeft een stressregulerend effect en wordt daarom ook wel benoemd als natuurlijke tranquillizer.

De concentratie neurotransmitters in de hersenen kan beïnvloed worden door verschillende factoren zoals inadequate voedselinname, stress, geneesmiddelen zoals benzodiazepinen, en alcohol en drugs. Natuurlijke voedingsbronnen zijn onder andere tuinbonen, groene (blad-)groenten, tomaten, sojabonen, uien, scharreleieren en verse noten en zaden.

GABA wordt onder invloed van het enzym glutamaatdecarboxylase (GAD), met als cofactor pyridoxaal-5-fosfaat (actieve vitamine B6), gesynthetiseerd uit glutaminezuur. Het komt in relatief hoge concentraties voor in het CZS, verspreid over een groot deel van de hersenen. De meeste effecten worden gegenereerd via twee typen receptoren, de GABAa- en de GABAb-receptor. Doordat GABA onder meer de neurale excitatoire activiteit van de neurotransmitter glutamaat afremt, wordt de prikkelgevoeligheid van het CZS verminderd en worden neurologische en psychiatrische aandoeningen voorkomen. Een te lage GABA-concentratie uit zich in verschillende neuropsychiatrische klachten en aandoeningen zoals angststoornissen, stress, epilepsie en slaapstoornissen.

Stresssymptomen zoals hoofdpijn, geïrriteerdheid, concentratieproblemen, hyperactiviteit, piekeren en dergelijke kunnen ontstaan door een inadequate werking van GABA in de hersenen waardoor er overactiviteit van de neurotransmitter glutamaat ontstaat. Door het optimaliseren van het GABA-niveau wordt deze overactivatie geremd en treedt er een ontspannend effect op. Verschillende onderzoeken wijzen erop dat orale inname van GABA een kalmerend effect geeft. Enkele pilot studies, waarbij aan de hand van specifieke hersengolven het effect van orale inname van GABA werd geëvalueerd, lieten een aanzienlijke afname zien van stresssymptomen en een verhoging van de stressweerbaarheid bij de betreffende patiënten.

Zowel bij dieren als bij mensen heeft men kunnen vaststellen dat wanneer het GABA-erge systeem in de hersenen wordt geremd, de kans op het ontwikkelen van een angststoornis aanzienlijk groter is. Een optimale concentratie van GABA heeft een angstwerende werking doordat de prikkelgevoeligheid van het CZS door GABA wordt verlaagd. Veel van de regulier ingezette geneesmiddelen, waaronder benzodiazepinen (GABA-agonisten), werken dan ook grotendeels versterkend op de GABA-activiteit, maar kennen ook ongewenste bijeffecten, zoals concentratieverlies, sufheid en bij chronisch gebruik een hoge verslavingsgevoeligheid. Het rechtstreeks inzetten van GABA als voedingssupplement heeft als groot voordeel dat het deze bijwerkingen niet kent, maar is mogelijk minder effectief door de beperkte passage van de bloed-hersenbarrière.

In de hypothalamus, het deel van de hersenen dat betrokken is bij slaapprocessen, bevindt zich een groot deel van de GABA-receptoren. Er is een duidelijke relatie tussen slapeloosheid en een verlaagde GABA-concentratie. Suppletie van GABA kan vanwege de stressregulerende en rustgevende eigenschappen bijdragen aan een goede nachtrust.

GABA wordt ook ingezet om de afgifte van groeihormoon te stimuleren. Vooral bij krachtsporten zou dit positieve effecten kunnen hebben. Door inname van GABA, vooral vlak voor de training, verhoogt de concentratie irGH (immunoreactief groeihormoon) en ifGH (immunofunctioneel groeihormoon). In welke mate irGH en ifGH daadwerkelijk bijdragen aan het doen toenemen van spiermassa is nog onbekend.

Gebruik van GABA wordt ontraden bij hart- en vaatziekten, leverziekten, longaandoeningen en aandoeningen van het maagdarmstelsel. Bij overgevoeligheid dient het gebruik van GABA te worden vermeden.

Van GABA zijn geen noemenswaardige bijwerkingen bekend. In een enkel geval kunnen tintelingen ontstaan. Van langdurig gebruik in hoge doseringen is geen wetenschappelijke informatie bekend. De toepassing van hoge concentraties (5 tot 10 gram), zoals eventueel in krachtsport, kan van invloed zijn op de endogene pancreasfunctie.

Voorzichtigheid is geboden bij, maar niet beperkt tot, alle middelen die ingrijpen op het GABA-erge systeem, zoals benzodiazepinen, barbituraten, antidepressiva, alcohol en met GABA verrijkte voeding. Voorzichtigheid is ook geboden bij middelen die het risico op bloedingen kunnen verhogen, zoals anticoagulantia en Ginkgo biloba. Ook andere interacties zijn mogelijk. Overleg hierover met een deskundige.

Bij stress- en angststoornissen maximaal 750 mg in één tot drie doses. Bij slaapstoornissen van 100 tot 1.000 mg voor het slapen. Bij groeihormoonstimulatie bij sporters: 1 tot 5 gram, of 3 gram vlak voor de training.

Saffraan is al eeuwenlang een van de meest waardevolle specerijen ter wereld. De stampers van de Saffraan-crocus (Crocus sativus) worden handmatig geoogst en er zijn meer dan 100.000 stampers nodig voor een kilo Saffraan. Gedroogde Saffraan wordt al duizenden jaren als kruid, kleurstof en medicijn gebruikt. Het medicinale gebruik stamt vooral uit de traditionele Chinese geneeskunde en de ayurvedische traditie, waarbinnen Saffraan hoofdzakelijk toegepast wordt vanwege zijn stemmingsverbeterende eigenschappen bij depressie, angsten, als afrodisiacum en vanwege zijn positieve invloed op de spijsvertering. Tegenwoordig worden steeds meer traditionele toepassingen bevestigd in wetenschappelijk onderzoek. Vooral de inhoudsstoffen crocine en safranal blijken gezondheidsbevorderende effecten te hebben, bijvoorbeeld op het gebied van depressie, Alzheimer, oogaandoeningen (waaronder maculadegeneratie) en overgewicht. Hiermee is Saffraan ook voor de hedendaagse gezondheidszorg een uiterst relevant product.

De beide sleutels van saffraan: crocine en safranal

Crocine is een wateroplosbare carotenoïde die aan Saffraan-specerijen hun roodoranje kleur geeft. Het is een krachtig antioxidant. Safranal is onder meer verantwoordelijk voor het karakteristieke, krachtige aroma van Saffraan. Beide stoffen remmen de heropname van onder andere serotonine, vergroten zo de beschikbaarheid van serotonine in het zenuwstelsel en dragen daarmee bij aan de behandeling van depressie. 

Reguliere antidepressiva hebben nog steeds veel bijwerkingen, waaronder beïnvloeding van het rijgedrag, droge mond, constipatie, seksuele dysfunctie tot zelfs agressief gedrag en zelfmoordneigingen. Bovendien reageert een deel van de patiënten na verloop van tijd niet meer op deze antidepressiva, en is therapietrouw daardoor niet optimaal. Uit meerdere dubbelblinde klinische onderzoeken bij personen met milde tot matige depressie blijkt dat het antidepressieve effect van Crocus sativus groter is dan placebo en vergelijkbaar is met dat van fluoxetine en imipramine. Uit analyse van bioactieve fracties komt naar voren dat crocine-1 hoofdverantwoordelijk is voor het antidepressieve effect. Het werkingsmechanisme erachter komt deels overeen met dat van imipramine: beide remmen de heropname van serotonine, norepinephrine en dopamine. Het eerste effect treedt al binnen een week op, maar het effect is maximaal na circa zes weken.

De ziekte van Alzheimer wordt gekenmerkt door de afzetting van amyloïde plaques in de hersenen. Oxidatieve processen stimuleren de vorming en afzetting van deze plaques. In-vitro onderzoek wijst uit dat Saffraan-extract zeer goede antioxidatieve eigenschappen heeft en de vorming van onoplosbare amyloïden remt, afhankelijk van de dosering en de toepassingsduur. De stof die hiervoor verantwoordelijk blijkt te zijn is trans-crocine-4. In dubbelblind onderzoek onder 54 Alzheimerpatiënten blijkt Saffraan-extract even effectief als Donepezil bij milde tot matige Alzheimer. Uit andere onderzoeken komt een algemeen positief effect op leervermogen en geheugen naar voren. Dit lijkt te maken te hebben met een betere membraanvloeibaarheid in de synaps als gevolg van de toediening van Crocus sativus. Saffraan, en de actieve bestanddelen crocetine en crocine, kunnen dus op het gebied van geheugenschade een bijdrage leveren aan de behandeling van Alzheimer en andere neurodegeneratieve aandoeningen. 

De veiligheid bij zwangerschap en tijdens de lactatieperiode is niet onderzocht. Traditioneel werden extreem hoge doseringen Saffraan aangewend om abortus op te wekken, of Saffraan in normale doseringen een samentrekkend effect heeft op de baarmoeder is onbekend. Vermijd gebruik bij overgevoeligheid voor Saffraan of een van de inhoudsstoffen. In vergelijking met andere kruiden zijn allergische reacties naar aanleiding van het gebruik van Saffraan zeer zeldzaam.

In humane studies die met Saffraan-extract zijn uitgevoerd zijn in de aangegeven doseringen geen significante bijwerkingen gevonden. Vroeger gerapporteerde bijwerkingen blijken vaak aan vervalsingen (onder andere Colchicum autumnale) toe te schrijven. Saffraan heeft ook geen libidoverlagend effect, zoals reguliere antidepressiva wel vaak hebben. Extreem hoge doseringen kunnen wél toxisch zijn, maar dit is nooit gevonden voor doseringen beneden 1.500 mg per dag.

Saffraan-extract kan de werkzaamheid van andere medicatie beïnvloeden. Beïnvloeding van de werking van stemmingsbeïnvloedende medicatie is gezien de werking het meest waarschijnlijk.

Onderzoek bij depressie en andere stemmingsstoornissen is gedaan met doseringen die overeenkomen met 0,3 mg saffranal (circa 90 mg Satiereal Saffraan-extract) per dag. Bij afvallen worden hogere doseringen gebruikt (circa 180 mg Satiereal per dag).

Van Crocus sativus is geen synergistische werking bekend.

DL-phenylalanine (DLPA) is een mengsel van zowel de rechtsdraaiende D-vorm van het ringvormige aminozuur phenylalanine als de (natuurlijke) linksdraaiende L-vorm. L-phenylalanine passeert makkelijk de bloed-hersenbarrière en kan worden omgezet in het aminozuur L-tyrosine dat op zijn beurt kan worden omgezet in schildklierhormoon en via L-dopa uiteindelijk de neurotransmitters dopamine, noradrenaline en adrenaline kan vormen. Deze neurotransmitters zijn onder meer van belang voor het geheugen, de alertheid en de leerfunctie. Phenylalanine kan niet door het lichaam worden aangemaakt, het is daarom een essentieel aminozuur.

L-phenylalanine maakt deel uit van een aantal psychoactieve medicijnen, evenals belangrijke lichaamsstoffen zoals acetylcholine, vasopressine, cholecystokininen, enkefalinen en endorfinen. Endorfinen en enkefalinen zijn substanties die het lichaam aanmaakt als we zware lichamelijke inspanningen verrichten of wanneer we positieve emoties ondervinden. Deze door het eigen lichaam aangemaakte morfineachtige stoffen (endogene opiaten) maken het lichaam minder gevoelig voor (of bewust van) pijn. Bovendien hebben deze stoffen een stemmingsverbeterend effect. Ze worden in verband gebracht met een positievere levensinstelling, een verhoogde alertheid, verbetering van de geheugenfunctie, een verhoogde vitaliteit en een vergroting van de seksuele interesse. Dit zou een belangrijke reden zijn waarom DL-phenylalanine een antidepressieve werking heeft.D-phenylalanine kan niet worden omgezet in tyrosine, en wordt vooral omgezet in phenylethylamine (een krachtige stemmingsverbeteraar). DL-phenylalanine heeft een sterk afremmend effect op de enzymen die deze endogene opiaten (endorfinen, enkephalinen) afbreken, waardoor deze stoffen hun werking langer kunnen blijven doen en de natuurlijke pijntolerantie stijgt. DLPA bestrijdt in zekere zin niet het symptoom ‘pijn’, maar ondersteunt juist het lichaamseigen pijnbestrijdingssysteem.

Patiënten met gewichtsaandoeningen en depressieve personen blijken sterk verlaagde niveaus van phenylethylamine te hebben, waardoor endorfines veel te snel worden afgebroken en ze veel sneller dan anderen last hebben van pijn en depressies. Het geven van D-phenylalanine bij deze personen heeft een sterke stijging van de phenylethylamine-spiegel tot gevolg, een duidelijke vermindering van de pijnbeleving en een verbeterde mobiliteit. DLPA wordt verder nog ingezet bij chronische pijnaandoeningen zoals lage rugpijn, menstruatiepijnen, hoofdpijnen (migraine) en fantoompijn, evenals bij een grote variëteit aan soorten depressies.

LPA bevat phenylalanine en mag daarom niet worden gebruikt door mensen met fenylketonurie. Bij sommige mensen heeft DLPA een bloeddrukverhogend effect. Bij patiënten met (aanleg voor) hypertensie is het verstandig de dosering langzaam op te bouwen en de bloeddruk in de gaten te blijven houden. DLPA mag niet worden gebruikt in combinatie met bloeddrukverhogende medicijnen.

Van doseringen van 1.500 mg DLPA of minder zijn geen bijwerkingen vastgesteld, uitgezonderd een zeldzaam geval van misselijkheid of hoofdpijn.

Interacties met reguliere of natuurgeneesmiddelen zijn mogelijk. Raadpleeg een deskundige.

Dagelijks 400 tot 800 mg DLPA een dertig minuten voor de maaltijd met water innemen.

Pijnstillers als paracetamol en aspirine hebben een heel ander werkingsmechanisme dan DLPA en kunnen het pijnstillend effect vergroten.

Om de omzetting van phenylalanine in de diverse hormonen te vergemakkelijken zijn een aantal cofactoren nodig waaronder vooral vitamine B6 en vitamine C. Om een optimale voorziening van synergistische nutriënten te waarborgen, raden wij een basissuppletie van een goede multi en vitamine C aan.

Vitamine D is een afwijkende vitamine in de zin dat het lichaam deze zelf kan aanmaken. Bij voldoende blootstelling aan ultraviolette straling uit zonlicht of andere bronnen is de eigen aanmaak vele malen groter dan wat via de voeding kan worden opgenomen. Pas bij onvoldoende blootstelling aan de zon wordt vitamine D een essentieel nutriënt en wordt belangrijk hoeveel we ervan via de voeding innemen.

Vitamine D en haar metabolieten zijn structureel verwant aan de steroïdehormonen. Met name in het laatste decennium stapelen de wetenschappelijke publicaties over dit nutriënt zich op en wordt duidelijk dat vitamine D in veel meer lichaamsprocessen een rol speelt dan alleen de calciumstofwisseling.

In het rijke westen, waar vroeger varkensvet zorgde voor vitamine D3 en goede vetzuren in onze voeding, is ondanks een bijzondere wetenschappelijke ontwikkeling de beste bron van gezondheid verloren gegaan. Onze mestvarkens komen niet meer buiten en kunnen geen UVB-licht absorberen en dus ook geen vitamine D3 aanmaken voor hun eigen gezondheid, en die van ons. Het blijkt dan ook dat de vitamine D-status van grote groepen van de bevolking ronduit slecht is, en dat de aanbevelingen en normaalwaarden voor wat een gezonde vitamine D-status is, aan herziening toe zijn.

Tijdens de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw zijn grote inspanningen gedaan om met levertraanolie dat gebrek op te lossen. Een tijdelijke oplossing, zo blijkt. Nu is onze zee zo besmet met kwikzouten dat levertraanolie niet meer van aanvaardbare kwaliteit is, dat wij met z’n allen aan een vitamine D3-supplement moeten.

Onderzoek laat een verband zien tussen vitamine D en depressieve klachten. In Women’s Health Initiative (WHI) Observational Study werden de gegevens van ruim 81.000 vrouwen tussen 50 en 79 jaar geanalyseerd. Door middel van vragenlijsten werd hun voedingspatroon en  gebruik van supplementen achterhaald. Depressieve klachten werden gemeten aan de hand van de ‘Burnam-schaal’.

De groep die meer dan 20 microgram vitamine D per dag binnenkreeg werd vergeleken met de groep die nauwelijks vitamine D innam (minder dan 2,5 microgram). Bij de groep die veel vitamine D binnenkreeg via de voeding was het effect het duidelijkste. Daar kwamen 21 % minder depressieve klachten voor.

Vitamine D is van vitaal belang om onze spieren efficiënt te laten werken en ons energieniveau omhoog te krijgen. Studies hebben aangetoond dat de spierfunctie verbetert met vitamine D-supplementen en dat zij de activiteit van de mitochondria, ook bekend als de batterijen van de cel, verhoogt.

Naast een slechte gezondheid van het beenmerg, is spierzwakte een veelvoorkomend symptoom bij patiënten met een vitamine D-tekort. Deze vermoeidheid zou veroorzaakt kunnen worden door een verminderde efficiëntie van de mitochondria. Mitochondria gebruiken glucose en zuurstof om energie te maken in een vorm die gebruikt kan worden om de cel te laten functioneren (de energierijke molecule ATP). Spieren gebruiken grote hoeveelheden ATP voor beweging en ze gebruiken kreatine fosforzuur als een kant en klare energiebron om ATP te maken. De mitochondria vullen de voorraad kreatine forforzuur aan als de spier samentrekt, en meten hoelang het duurt alvorens de voorraad is aangevuld. Een betere mitochondria-functie wordt geassocieerd met kortere kreatine fosforzuur hersteltijden.

Het team kwam tot de conclusie dat deze hersteltijden significant verbeterden nadat de patiënten een vaste dosis oraal ingenomen vitamine D kregen gedurende tien tot twaalf weken. De gemiddelde kreatine fosforzuur herstelhalveringstijd verminderde van 34,4 seconden naar 27,8 seconden.

Nieuw onderzoek, gepubliceerd in het Amerikaans medisch vakblad The Journal of Leukocyte Biology, wijst erop dat ouderen profijt zouden kunnen hebben van vitamine D-supplementen tijdens de herfst en de winter ter bescherming tegen virale infecties.

Vitamine D mag dan bekend staan als de ‘zonvitamine’. Een nieuw onderzoek toont aan dat het meer is dan dat. Volgens het verslag staan onvoldoende vitamine D-waardes in relatie tot een tekort in ons aangeboren afweersysteem (immuunsysteem) dat ons beschermt tegen infecties, tumorvorming en auto-immuunziekten.

Aangezien vitamine D-waardes verminderen tijdens de herfst en de winter als de dagen korten en het zonlicht betrekkelijk zwak wordt, kan dit verklaren waarom mensen meer bloot staan aan en gevoelig zijn voor virale infecties gedurende deze periodes. Het wijst er ook op dat vitamine D-suppletie speciaal bij de oudere bevolking de aangeboren immuniteit van mensen kan versterken tegen virale infecties.

Zonlicht is voor de mens verreweg de belangrijkste bron van vitamine D. Het lichaam kan in de huid vanuit een metaboliet van cholesterol (7-dehydrocholesterol) vitamine D3 (cholecalciferol) aanmaken onder invloed van het UVB-deel van het zonlicht.

Het lichaam heeft een grote capaciteit om vitamine D3 aan te maken. Iemand die in badkleding in de zon zit totdat een lichte roodkleuring van de huid optreedt (erytheem) doet de bloedspiegels van vitamine D3 evenveel stijgen als wanneer deze persoon 10.000 tot 25.000 IE (250 mcg tot 625 mcg) vitamine D via een voedingssupplement zou nemen. Mensen die wonen en werken in een tropisch klimaat maken naar schatting 10.000 IE (250 µg) per dag aan; honderd keer meer dan de in België aanbevolen dagelijkse hoeveelheid voor volwassenen. 250 microgram is ook ongeveer het maximum dat het lichaam per dag aanmaakt aan vitamine D.

Een gezonde blanke huid is in principe in staat om vrij snel grote hoeveelheden vitamine D aan te maken. Op de 52e breedtegraad, waarop België ligt, wordt in de zomer (mei-september) midden op de dag bij onbewolkte hemel en heldere lucht al na enkele minuten blootstelling van een type-1 huid (blank), met 25 % van het lichaamsoppervlak onbedekt en in horizontale positie, 25 microgram (1.000 IE) vitamine D aangemaakt. In de winter (november-maart) is het, op dezelfde breedtegraad, onder geen enkele omstandigheid mogelijk om uitsluitend met behulp van zonlicht een adequate vitamine D-status te handhaven.

Na excessieve blootstelling aan de zon ontstaat geen vitamine D-toxiciteit, aangezien op een gegeven moment een evenwicht tussen aanmaak en afbraak ontstaat, waarbij een overmaat vitamine D en previtamine D wordt omgezet in inactieve producten.

Slechts zeer weinig voedingsmiddelen zijn een goede bron van vitamine D. Eigenlijk alleen vette vissoorten en de olie daaruit (met name de visleverolie in de vorm van levertraan) bevatten in vergelijking met ander voedsel relatief veel van het vitamine. Wilde zalm bevat 25 microgram per 100 gram, kweekzalm 10 mcg. Haring bevat 15 microgram vitamine D per 100 gram.

Ook eierdooiers bevatten meer vitamine D dan veel ander voedsel, maar de hoeveelheden zijn niet noemenswaardig (zelden meer dan 1,25 microgram per dooier). Aan margarine is in Vlaanderen vitamine D toegevoegd tot de niveaus die van nature in boter voorkomen (7,5 microgram per 100 gram). Consumptie van margarine of boter zal voor hooguit één microgram per dag aan de vitamine D inname bijdragen.

Het gehalte aan vitamine D-achtige stoffen in moedermelk is bijzonder laag en is sterk afhankelijk van de vitamine D-status van de moeder. Wanneer moeders reeds een subklinische vitamine D-deficiëntie hebben (zoals de meeste vrouwen in westerse landen op ver van de evenaar gelegen breedtegraden en vooral ook in islamitische gemeenschappen), dan hebben de zuigelingen een duidelijk hoger risico om snel een vitamine D-gebrek te ontwikkelen.

Bij de meeste mensen kan je tijdens de lente een vitamine D3-waarde van minder dan 20 ng/ml (50 nmol/L) vaststellen bij een bloedstaalcontrole. Het is absoluut nodig dat wij Belgen in de winter vitamine D3 uit een flesje nemen want de voeding is daarvoor bij iedereen ontoereikend, net zoals het UVB-licht in de wintermaanden te zwak is. Daarbij komt nog dat de enzymen van vijftigplussers minder goed functioneren en in de meeste gevallen vier keer minder vitamine D3 aanmaken.

Het is vrijwel onmogelijk om toxische hoeveelheden vitamine D uit voedingssupplementen te halen. Vitamine D heeft pas toxische effecten bij serumwaarden van 250 nmol calcidiol per liter of meer. Dergelijke waarden worden pas bereikt bij chronisch gebruik van meer dan 10.000 IE (250 µg) vitamine D per dag, honderd keer de huidige aanbevolen dagelijkse hoeveelheid voor volwassenen. In voedingssupplementen is de toegestane hoeveelheid vitamine D wettelijk beperkt tot maximaal 5 µg per dag.

Voor producten die speciaal bedoeld zijn voor personen van zestig jaar en ouder, kinderen tot en met zes jaar, zwangeren en zogenden geldt een maximale dagdosis van 15 µg vitamine D, maar alleen als op het etiket van een dergelijk product expliciet is vermeld dat het uitsluitend is bedoeld voor deze doelgroepen. Vandaar dat hooggedoseerde vitamine D-producten in België onvermijdelijk een waarschuwingstekst op het etiket moeten hebben staan: “Dit product bevat hoeveelheden vitamine D die uitsluitend geschikt zijn voor kinderen van 1 tot en met 6 jaar, zwangeren, zogenden en personen van 60 jaar en ouder”. Paradoxaal genoeg is voor het normaliseren van de vitamine D-spiegels van de meeste Belgen vaak aanmerkelijk meer vitamine D nodig dan het wettelijke maximum.

Vanwege deze wettelijke beperking is het risico op overdosering van vitamine D door het gebruik van een voedingssupplement, mits men zich aan de aanbevolen dosering houdt, in België daarom uitgesloten. De maximaal veilige dosis voor vitamine D3 is onlangs in de EU verhoogd van 50 naar 100 µg (4.000 IE) per dag.

Volgens een risicoanalyse uit 2007 kan deze waarde zonder bezwaar verder worden verhoogd tot 250 µg (10.000 IE) per dag. Voor kinderen van één tot en met tien jaar is de veilige bovengrens recent verdubbeld, van 25 µg naar 50 µg per dag. Voor zuigelingen is deze nog steeds 25 µg per dag.

Bij langdurig gebruik van bepaalde medicijnen neemt de absorptie van vitamine D af, waardoor op den duur een gebrek kan ontstaan. Dat geldt voor: colestyramine (lipidenverlagend middel), neomycine (antimicrobieel middel) en orlistat (middel bij overgewicht). Neomycine verhoogt ook de uitscheiding van vitamine D.

Er zijn ook medicijnen die interfereren met het metabolisme van vitamine D. Enzyminducerende anti-epileptica (carbamezepine, fenobarbital, primidon en fenytoïne) kunnen het vitamine D-metabolisme versnellen waardoor op den duur een tekort aan vitamine D kan ontstaan. Ook inname van valproïnezuur, een niet-enzyminducerend anti-epilepticum, kan uiteindelijk leiden tot een verlaagde vitamine D-spiegel. Bij gebruik van anti-epileptica is het risico op fracturen dan ook sterk verhoogd en is regelmatige controle van de botstatus gewenst.

Corticosteroïden interfereren op diverse wijzen met het metabolisme van vitamine D. Bovendien neemt bij het gebruik van corticosteroïden de absorptie van calcium af en neemt de uitscheiding van calcium toe. Bij langdurig gebruik van corticosteroïden wordt extra calcium en vitamine D aangeraden.

Heparine (niet-gefractioneerd), een antistollingsmiddel, remt de omzetting van vitamine D in de nieren naar de actieve vorm. Bij langdurig gebruik van een hoge dosering heparine kan osteoporose ontstaan. Cimetidine remt (waarschijnlijk) de activeringsstap van vitamine D in de lever. Mogelijk geldt hetzelfde voor andere H2 receptorantagonisten, maar dit moet nog worden bevestigd in onderzoek.

Tot slot kan langdurig gebruik van tuberculosemiddelen (isoniazide en rifampicine) of gebruik van het antimycoticum ketoconazol leiden tot een verlaagde vitamine D-spiegel.

Bij digoxine gebruik kan door vitamine D-suppletie het risico op hartritmestoornissen toenemen door vitamine D geïnduceerde hypercalciëmie. Door het gebruik van thiazidediuretica (zoals indapamide, hydrochloorthiazide, chloorthiazide en chloortalidon) neemt de uitscheiding van calcium af. Bij het gebruik van vitamine D in combinatie met deze medicatie moet rekening gehouden worden met hypercalciëmie. Over de doseringen vitamine D waarbij hypercalciëmie kan optreden in combinatie met genoemde medicatie is helaas onvoldoende informatie beschikbaar, maar geadviseerd wordt om voorzichtigheid te betrachten met vitamine D-suppletie bij patiënten die deze medicatie gebruiken.

Andere interacties met reguliere of natuurgeneesmiddelen zijn ook mogelijk. Raadpleeg een deskundige.

De aanbevolen dagelijkse hoeveelheid vitamine D varieert in België tussen 2,5 microgram per dag voor personen tussen vier en vijftig jaar tot 12,5 microgram voor personen boven de zeventig jaar. Afhankelijk van de blootstelling aan zonlicht en de huidpigmentatie, kan daar nog 2,5 microgram bijkomen. In de ogen van veel deskundigen zijn deze hoeveelheden te laag en aan herziening toe.

Om vanuit een toestand van deficiëntie de vitamine D-spiegels weer normaal te krijgen zijn deze hoeveelheden zelfs volstrekt onvoldoende. Daarvoor zijn doseringen nodig die ver boven de aanbevolen dagelijkse hoeveelheden uitgaan.

Vitamine D kan een synergistisch effect hebben bij een behandeling met bisfosfonaten, oestrogenen of raloxifeen, om de botmineraaldichtheid te verhogen.

De co-enzymvorm van vitamine B6 (pyridoxal-5-fosfaat) is essentieel voor de werking van meer dan honderd vitamine B6-afhankelijke enzymen. Deze enzymen katalyseren diverse biochemische reacties in het lichaam, waardoor de fysiologische functies van vitamine B6 ook sterk uiteenlopen.

Vitamine B6 is onmisbaar voor verschillende neurotransmitters. Dit zijn boodschappers in de hersenen die informatie overbrengen tussen de zenuwcellen. Vitamine B6 zorgt voor decarboxylatie van aminozuren, waardoor amines worden verkregen. Veel van deze amines zijn belangrijke neurotransmitters en hormonen. Op deze wijze is vitamine B6 betrokken bij de biosynthese van tenminste vier belangrijke (mono-amine) neurotransmitters: serotonine, dopamine, adrenaline en noradrenaline.

Serotonine werkt op de stemming, zelfvertrouwen en het verwerken van pijnprikkels. Een tekort aan deze neurotransmitter kan leiden tot depressie, angst, stress, moeilijk keuzes kunnen maken en een vermindering van het geheugen. Uit een onderzoek met mensen met paniekaanvallen, OCD en depressie bleek dat vitamine B6 even effectief was als andere antiangstmedicatie. Daarbij veroorzaakte het een stuk minder bijwerkingen dan farmaceutische medicijnen. Tot slot stabiliseert vitamine B lactaatniveaus in het lichaam die verantwoordelijk zijn voor angstaanvallen.

Dopamine stimuleert het beloningscentrum van de hersenen. Hierdoor voelt men zich goed na een bepaalde activiteit, zoals na seksuele interactie, eten of een algemene prestatie. Er is een verband gevonden tussen een dopaminetekort en de ziekte van Parkinson.

In voedsel is vitamine B6 meestal gebonden aan proteïnen. Pyridoxine komt vooral in planten voor, terwijl pyridoxal en pyridoxamine vooral in dierlijk weefsel worden aangetroffen. Zeer rijke dierlijke bronnen van vitamine B6 zijn kip en lever (rundslever, varkenslever). Goede bronnen zijn vlees (ham), vis (tonijn, forel, heilbot, haring, zalm) en eieren. Dierlijke bronnen van vitamine B6 bevatten vooral het goed opneembare pyridoxaal-5-fosfaat en pyridoamine-5-fosfaat.

Goede plantaardige bronnen van vitamine B6 zijn hele granen, peulvruchten, bananen, noten (walnoten), brood, mais en volkorenbrood. Groenten en fruit zijn relatief arm aan vitamine B6.

Langdurig ernstige tekorten kunnen leiden tot bloedarmoede, gebrek aan eetlust, diarree, zenuwaandoeningen en een verminderde weerstand. Bij pasgeboren baby’s kan een tekort leiden tot stuipen. Ook zijn er genetische afwijkingen in vitamine B6 beschreven waarbij het vitamine B6 niet actief is. De klinische verschijnselen hierbij zijn convulsies of chronische vorm van anemie en cysthathionurie. Kinderen reageren vaak wel op therapie met vitamine B6. Ook zijn er huidafwijkingen beschreven.

De concentratie van vitamine B6 in bloed weerspiegelt de concentratie in de lever en de inname. Concentraties < 35 nmol/L kunnen duiden op deficiëntie. Vitamine B6-deficiënties kunnen worden gezien bij zwangerschap, chronische nierinsufficiëntie en alcoholisme. Omdat vitamine B6 in veel voedingsmiddelen voorkomt, komt een tekort aan vitamine B6 in België nauwelijks voor. Deficiënties van vitamine B6 kunnen door de volgende mechanismen ontstaan: verminderde inname door eenzijdig dieet (zelden), verhoogde behoefte (zwangerschap), remming van alkalische fosfatase gemedieerde opname in de lever (alcoholisme) en verminderde activatie van vitamine B6 (chronische nierinsufficiëntie).

Gebruik van het geneesmiddel isoniazide, een geneesmiddel tegen tuberculosis, of langdurig gebruik van orale contraceptiva kan leiden tot vitamine B6-deficiëntie.

Tijdens zwangerschap en lactatie is een multi met vitamine B6 of een vitamine B-complex met vitamine B6 in een dosis tot 25 mg per dag toegestaan (hogere doseringen alleen onder medische supervisie).

In te hoge dosering kan vitamine B6 perifere sensorische neuropathie en zenuwdegeneratie veroorzaken; deze bijwerkingen verdwijnen meestal binnen zes maanden na het staken van vitamine B6-suppletie. Meestal gaat het om dagdoseringen van 600 mg of hoger; in enkele gevallen treden neuropathische klachten op bij een (veel) lagere dosering vitamine B6. Ook is de kans op perifere neuropathie groter na langdurige vitamine B6-suppletie.

Diverse medicijnen (waaronder isoniazide, penicillamine, hydralazine, levodopa, procarbazine, cycloserine, theofylline, MAO-remmers, ethionamide, valproïnezuur, tetracyclines en corticosteroïden), de anticonceptiepil en hormonale suppletietherapie kunnen de vitamine B6-status verlagen. Roken en een hoge alcoholinname verhogen de vitamine B6-behoefte. Vitamine B6 verlaagt de effectiviteit van levodopa, fenobarbital en feny¬toïne, maar verbetert mogelijk de werking van nortryptiline.

De aanbevolen dagelijkse hoeveelheid (ADH) van dit vitamine is 1,6 tot 2 mg. Vitamine B6 moet altijd ingenomen worden in een vitamine B-complexpreparaat met gelijke hoeveelheden vitamine B1 en B2. Geen inname van meer dan 50 tot 200 mg per dag, tenzij onder medische begeleiding. De maximale veilige dosis is 200 mg per dag.

Vitamine B1 (thiamine) is als co-enzym essentieel voor de energieproductie uit koolhydraten en ondersteunt daarmee organen die voor hun energieproductie afhankelijk zijn van koolhydraten, zoals hersenen, spieren, hart en zenuwen. Vitamine B1 ondersteunt een goede werking van het zenuwstelsel onder meer doordat het de prikkeloverdracht tussen de cellen, bijvoorbeeld bij de spieren, kan bevorderen. Daarnaast speelt thiamine een rol bij de vorming van hormonen, eiwitten en enzymen.

Thiamine is belangrijk voor het geheugen. De algemene achteruitgang van het geheugen heeft onder andere te maken met een verminderde opname van vitamine B1 door het lichaam. Normaal krijgen mensen voldoende vitamines binnen via de voeding. Alcoholgebruik vermindert de opname van vitamine B1. Als daar bovenop komt dat de voeding wat verwaarloosd wordt (zoals bij veel zware drinkers het geval is), dan kan er een ernstig vitamine B1-tekort ontstaan met sterke vergeetachtigheid tot gevolg.

Het wateroplosbare thiamine wordt niet opgeslagen en dient elke dag in voldoende mate aangeboden te worden, bij voorkeur door een gevarieerde voeding en anders door middel van een voedingssupplement. Extra vitamine B1 zorgt voor een stabielere bloedsuikerspiegel, wat een belangrijke trigger is voor angst.

Thiamine komt wijdverspreid voor in voedsel, maar meestal in kleine hoeveelheden. De meest geconcentreerde bron is gedroogde gist. Andere rijke bronnen zijn vlees (met name varken, maar ook lam en rund), gevogelte, hele granen, noten, peulvruchten en melk.

In de praktijk zijn vooral hele granen (volkorenproducten) belangrijk voor de voorziening van deze vitamine. In granen is de thiamine voornamelijk aanwezig in de zaadhuid die tijdens het productieproces van witmeel en het polijsten van bruine rijst tot witte rijst wordt verwijderd.

Lichte tot matige thiamine-deficiëntie komt voor bij (gehospitaliseerde) ouderen. Mogelijk draagt dat bij aan de bij deze groep regelmatig optredende neurodegeneratie. Een langdurig tekort aan vitamine B1 wordt in de westerse wereld vrijwel alleen gezien bij chronisch alcoholmisbruik, soms komt het echter ook voor bij chronisch braken.

De hoogste concentraties thiamine worden aangetroffen in het hart, de nieren, de lever en de hersenen, gevolgd door de leukocyten en de rode bloedcellen. Maar de opslagcapaciteit van het lichaam is beperkt. Op een thiamine-vrij dieet is de lichaamsvoorraad binnen vier tot tien dagen uitgeput. Kort daarop kunnen de klinische symptomen van deficiëntie zich aandienen.

Een lichte thiamine-deficiëntie uit zich in suboptimaal verlopende stofwisselingsprocessen voor de energievoorziening, wat zich kan uiten in moeheid, depressie, concentratieproblemen en geïrriteerdheid. Omstandigheden waarin dit zich kan voordoen zijn zware lichamelijke inspanning, zwangerschap en lactatie, regelmatig gebruik van alcoholische dranken en ziekte.

Een chronisch tekort uit zich in ernstigere deficiëntiesymptomen. Er zijn twee kenmerkende thiamine-deficiëntieziekten, namelijk beriberi en de alcoholismegerelateerde thiamine-deficiëntie die zich uit in het syndroom van Wernicke en het syndroom van Korsakov.

Overgevoeligheid voor thiamine.

Thiamine is niet giftig, maar geadviseerd wordt niet meer dan 400 mg per dag in te nemen.

Verschillende medicijnen kunnen de vitamine B1-status verlagen, waaronder antibiotica (zoals sulfapreparaten), diuretica (met name lisdiuretica), anticonvulsiva, barbituraten, anticonceptiepil, fenytoïne, indomethacine, digoxine, antacida en fluorouracil. Suppletie van extra vitamine B1 kan gewenst zijn.

Alcohol, cafeïne, roken, rauwe vis, sterk geraffineerde voeding en het volgen van een dieet verhogen de thiamine-behoefte. Voor de omzetting van thiamine in de actieve vorm is magnesium noodzakelijk.

De aanbevolen dagelijks benodigde hoeveelheid van deze vitamine is 1,4 mg. Zware drinkers, rokers, zwangere vrouwen en vrouwen die de pil gebruiken zouden hun normale dosering moeten opvoeren. De maximale veilige dosis per dag is 400 mg.

Vitamine C verbetert de opname van thiamine. Thiamine heeft een vaatverwijdende werking bij mensen met een verhoogde bloedglucosespiegel en kan de werking van vaatverwijdende medicatie bij diabetici versterken.

Foliumzuur is vooral effectief wanneer de andere B-vitaminen, met name vitamine B12 en B6, aanwezig zijn. Ook vitamine C heeft synergie met foliumzuur. Het gebruik van een B50-complex of een goede multi en vitamine C naast foliumzuur wordt daarom aanbevolen.

Doseringsadviezen voor foliumzuur kunnen variëren tussen 0,4 mg per dag en 10 mg per dag of meer, afhankelijk van de ernst van de aandoening of gezondheidsprobleem.

Foliumzuur wordt geantagoneerd door verschillende medicijnen. Hier volgen de belangrijkste: methotrexaat, trimethoprim, lachgas (N2O), fenytoïne, anticonceptiepil, triamtereen, anti-epileptica, barbituraten, metformine, carbamazepine, fenobarbital, primidone. Ook andere interacties met reguliere of natuurgeneesmiddelen zijn mogelijk. Raadpleeg hiervoor een deskundige. Daarnaast belemmert alcohol de enterohepatische kringloop van foliumzuur.

Sommige wetenschappers stellen dat foliumzuur de zinkabsorptie zou remmen. Echter de overgrote meerderheid van het bewijs ondersteunt deze bewering niet. Ook bij doseringen van 5 tot 15 mg foliumzuur per dag blijkt het geen enkel effect op de zink-status te hebben bij gezonde proefpersonen.

In een recente vaststelling van de maximaal veilige niveaus van foliumzuur in voedingssupplementen door de Scientific Committee on Food zegt de commissie dat van foliumzuur in een dosering tot 5 mg per dag geen negatieve gevolgen zijn vastgesteld. De commissie constateert wel dat hoge doseringen foliumzuur het vaststellen van een vitamine B12-deficiëntie kunnen bemoeilijken, maar dit wordt een diagnostisch probleem genoemd dat met specifiekere tests (bepaling van methylmalonzuur en/of homocysteïne) kan worden omzeild. Om deze reden wordt aan goede foliumzuur-formules ook vitamine B12 toegevoegd.

Een groot aantal medicijnen blijkt negatief op de foliumzuur-status in te werken. Bij patiënten die met dit soort geneesmiddelen worden behandeld dient met een verminderde werking van de medicatie als gevolg van foliumzuur-gebruik rekening te worden gehouden.

Hoge doseringen (5 tot 10 mg) foliumzuur kunnen bij epileptici soms toevallen uitlokken. Daarom wordt voorzichtigheid aangeraden bij gebruik van hoge doseringen foliumzuur door epileptici.

Foliumzuur-tekort wordt beschouwd als een van de meest voorkomende vitaminedeficiënties. Er zijn diverse factoren die tot een tekort kunnen leiden: een deficiënte voeding, malabsorptie, verhoogde behoefte, medicijngebruik, ouderdom, verhoogde verliezen en enzymdeficiëntie.

Megaloblastaire anemie is een bekende deficiëntieziekte van foliumzuur. De voorbije jaren komt ook een verhoogd homocysteïne-gehalte meer in de belangstelling als symptoom van foliumzuur-deficiëntie. Homocysteïne is een toxisch stofwisselingsproduct, dat normaal gesproken met behulp van geactiveerd foliumzuur (5-MTHF) wordt afgebroken. Als dit proces gestoord is, kan homocysteïne zich ophopen. Een verhoogd homocysteïne-gehalte gaat gepaard met een verhoogd risico op hart- en vaatziekten (onder andere veneuze en arteriële trombose, hartinfarcten en cerebrovasculaire accidenten). Foliumzuur-suppletie blijkt het homocysteïne-gehalte te kunnen verlagen.

Foliumzuur is aanwezig in groene (blad)groenten, fruit, volkoren granen, peulvruchten en in mindere mate in melk(producten).

Onderzoek heeft uitgewezen dat foliumzuur een aantal aspecten van het cognitief functioneren verbetert. Het gaat om vaardigheden die normaal gesproken met het vorderen van de leeftijd verminderen.

Dit positieve effect van extra foliumzuur is naar voren gekomen uit een onderzoek naar atherosclerose bij mensen tussen de vijftig en zeventig jaar. Het betrof een gerandomiseerd, dubbelblind, placebogecontroleerd onderzoek bij 818 deelnemers. Zij kregen gedurende drie jaar elke dag 800 μg foliumzuur of een placebopil. In vergelijking met de placebogroep steeg in de behandelgroep de folaatconcentratie in het plasma met 576 %.

Het totale homocysteïne-gehalte daalde met 26 % en dat is gunstig. Na drie jaar presteerde de behandelgroep significant beter op tests voor het geheugen, de snelheid van informatieverwerking en de motorische snelheid. Het onderzoek onderstreept het belang van de B-vitamines, waarvan foliumzuur er één is.

Depressieve mensen blijken lagere foliumzuurconcentraties te hebben dan niet-depressieve personen. Dit blijkt uit wetenschappelijk onderzoek onder Amerikanen. Eén derde van de mensen met zware depressie hebben een tekort aan foliumzuur. Behandeling met deze vitamine leidt tot een grotere kans van slagen van reguliere behandelingen van depressie, zoals het gebruik van antidepressiva.

Folaat (de vorm waarin foliumzuur in het lichaam actief is) speelt een belangrijke rol bij het transport van één-koolstofgroepen (vooral methylgroepen, maar ook methyleen- en formylgroepen). Het aanhechten van een methylgroep aan DNA, RNA, aminozuren, histonen en verschillende neurotransmitters wordt ook wel methylering genoemd. Methylering speelt een zeer belangrijke rol in het behoud van fysiologische lichaamsfuncties. Geactiveerd foliumzuur is daarbij donor van methylgroepen. Storing van methyleringsprocessen kan ernstige gevolgen hebben, zoals hartinfarcten, gedragsstoornissen en dementie.