Op voorraad

Aantal
Totaal

26,89

Gebruik

1 v-cap per dag

Samenstelling

Mariadistel (Sylibum marianum) 100 mg
L-cysteïne HCL 72,5 mg
lnositol 50 mg
Choline 50 mg
N-Acetyl L-cysteïne 20 mg
Zinkcitraat 15 mg
Natriumseleniet 1000 mcg
Selenium methionine 8620 mcg

Bevat geen allergenen

Indicaties

Ontgifting, zuur base evenwicht, galklachten, drainage, levercirrose, oedeem

Verpakking

60 capsules

 

Inline feedbacks
Bekijk alle reacties

Detoximix Plus is een natuurlijk ontgiftingssupplement dat lever en gal ondersteunt. Het bevat het plantenextract van de mariadistel. Silymarine, een stof die wordt gewonnen uit de zaden van de mariadistel, beschermt de lever tegen gifstoffen en vergemakkelijkt de afvoer ervan. Selenium is vooral bekend als versterker van het afweersysteem. Het ontlast echter ook de lever. Detoximix Plus bevat de organische vorm Lselenomethionine, een makkelijk op te nemen seleniumvorm. De aminozuren L-cysteïne HCL en N-acetyl-L-cysteïne (NAC) spelen een cruciale rol bij de vorming van glutathion, onze belangrijkste antioxidant, en beschermen zo de lever.

Samen met inositol vergemakkelijkt choline het vettransport van de lever naar de cellen. Een tekort aan choline veroorzaakt leververvetting en leverschade. Het is daarom belangrijk dat voldoende choline aanwezig is. Suppletie van choline draagt bij tot een gezonde lever. Aangevuld natriumseleniet en zink-citraat ter versterking van de weerstand. Het maakt Detoximix Plus tot een sterke allrounder die de gezondheid van de lever hoog in het vaandel draagt.

De afgelopen twintig jaar zijn meer dan 120 klinische studies afgerond waarin onderzoekers de effectiviteit en veiligheid van gestandaardiseerde mariadistelzaadextracten toetsten bij patiënten met acute en chronische leveraandoeningen. Aan deze dubbelblinde, placebogecontroleerde onderzoeken namen ruim 3000 patiënten deel. Daarnaast hebben zij door het uitvoeren van uitgebreid chemisch, farmacologisch, klinisch en histologisch laboratoriumonderzoek aangevuld met gegevens uit dierstudies het werkingsmechanisme van de plant grotendeels kunnen achterhalen.

De onderzoekers kozen als uitgangspunt voor hun onderzoek het traditionele gebruik van de plant. Van Mariadistel is bekend dat de plant al meer dan 2000 jaar een sterke reputatie heeft als heilzaam middel bij vele lever- en galaandoeningen. Daarnaast staat in oude kruidenboeken dat de plant als tegengif te gebruiken is bij vele vergiftigingen. Door het verrichten van wetenschappelijk onderzoek is komen vast te staan dat de genoemde volksgeneeskundige toepassingen wetenschappelijk te onderbouwen zijn. Het farmacologische werkingsmechanisme en de farmacokinetiek zijn in grote lijnen bekend.

In oude kruidenboeken was men al vol lof over de geneeskrachtige werking van de plant bij lever- en galaandoeningen. De Griekse geneesheer en kruidenkenner Dioscorides beschreef Mariadistel al 2000 jaar geleden. Hij gaf deze plant, en alle andere eetbare distels, de naam “Silybum”. Dioscorides schreef dat een thee die bereid is uit de zaden van de Mariadistel genezing kon bieden na een beet van een giftige slang. De Romeinse pionier Pliny de Elder, die leefde van 23 tot 79 na Christus, zei dat het sap van de plant gemengd met honing een uitstekende remedie was om “de gal weg te dragen”, waarmee hij bedoelde dat deze mixture de galstroom activeert. Hildegard van Bingen (1098-1179) was in Duitsland de eerste auteur die uitgebreid haar kennis en ervaring weergaf over de Mariadistel. Omdat haar werken in de volkstaal verschenen en zij het Latijn niet beheerste, dicteerde zij haar boeken aan een monnik waardoor zeer veel kennis behouden bleef. Otto Brunfels experimenteerde in 1534 op grote schaal met de Mariadistel bij patiënten met leveraandoeningen en Gerard noemde in 1596 de Mariadistel “de beste remedie tegen melancholie of zwartgalligheid”.

Kruidenkenner Culpeper schreef in 1787 dat “een drank gemaakt van de verse wortel en het zaad stuwingen van de lever en milt opheft, galstenen breekt en uitdrijft en een effectieve remedie is bij de behandeling van geelzucht”. De befaamde Duitse arts Gottfried Rademacher (1772-1850) gaf zijn patiënten bij lever- en miltaandoeningen een ethanolextract van de zaden. Het extract werd spoedig zeer populair en kreeg als naam “Rademacher’s Tinctuur”.

In Amerika erkenden de autoriteiten de tinctuur van de hele plant als een officiële bereiding en plaatsten deze in de eerste homeopathische farmacopee van de Verenigde Staten (1878). De geneesheren Felter en Lloyd deden veel moeite om de Mariadistel opnieuw onder de aandacht te brengen, omdat deze oude remedie bij lever- en galklachten vergeten dreigde te raken. Zij herintroduceerden de plant en bedachten voor de homeopathische tinctuur van de zaden een nieuwe naam: Carduus marianus. Het gevolg was dat veel boeken over geneeskrachtige planten de Mariadistel aanbevolen ter verlichting van stuwingen in lever, milt en nieren. Ook tegenwoordig gebruikt men in de homeopathie de tinctuur van het zaad nog, onder andere bij leveraandoeningen, geelzucht, galstenen, peritonitis, hoest, bronchitis, varices en stuwingen in de uterus. In Duitsland verscheen in 1986 een officiële monografie van de Silybum marianum, afkomstig van de “Kommission E”.

Intensief onderzoek naar de leverbeschermende werking van de Mariadistel begon al meer dan dertig jaar geleden. Eichler en Hahn beschreven dat extracten van de plant bescherming boden tegen tetrachloorkoolstofintoxicatie. Mayer had succes met het gebruik van de Mariadistel bij hepatitis. Vanaf 1958 ondernamen wetenschappers pogingen de actieve componenten te identificeren. Het lukte Vogel in 1965 om de werkzame bestanddelen te karakteriseren, waarna Wagner en de zijnen er in 1968 als eersten in slaagden de krachtigste werkzame bestanddelen uit de zaden te isoleren. Hierdoor ontstond de mogelijkheid een wetenschappelijke basis te leggen voor het gebruik van de plant bij leveraandoeningen. Het door Wagner geïsoleerde bestanddeel kreeg de naam silymarine.

Silymarine bevindt zich in een concentratie van 4 tot 6% in de rijpe zaden van de plant. Men ontdekte later dat silymarine niet een enkelvoudige component is, maar een mixture van zeer gecompliceerde componenten. De term ‘flavonolignanen’ werd vervolgens geïntroduceerd, waarmee deze mixture een naam kreeg. Flavonolignanen behoren tot de groep der flavonoïden met coniferylalcohol als bouwsteen. De naam ‘flavonoïden’ is afgeleid van het woord ‘flavus’, hetgeen geel betekent. Het alcoholextract van de zaden van de Mariadistel heeft een heldere en gele kleur. Wagner en Seligman konden in 1985 de chemische componenten nader isoleren en structureel analyseren. Silymarine bestaat namelijk uit drie hoofdverbindingen (isomeren): silybine, silydianine en silychristine. Van deze drie hoofdverbindingen is silybine de meest krachtige component. In het zaad trof men ook andere flavonolignanen aan, naast apigenine, silybonol, taxifoline (2.3 dihydro-quercitine), phytosterolen, vette oliën (20-30%) en eiwitten, waaronder tyramine en histamine (25-30%).

Nader onderzoek liet niet lang op zich wachten. Al spoedig werd duidelijk dat silymarine, en silybine in het bijzonder, niet alleen verantwoordelijk was voor de leverbeschermende werking van de plant, maar ook een krachtige antioxidantwerking bezat. Een logisch vervolg was het ontwikkelen van een gestandaardiseerd extract van de Mariadistel, zodat wetenschappelijk onderzoek naar de leverbeschermende werking zou kunnen plaatsvinden. In Duitsland verscheen in 1968 het eerste extract, bereid uit het zaad van de plant en gestandaardiseerd op minimaal 70% silymarine. Dit extract werd de basis van meer dan 120 klinische studies naar de leverbeschermende en antioxidatieve werking van de Silybum marianum. Aan deze onderzoeken namen ruim 3000 patiënten deel.

Uitgebreid onderzoek heeft overduidelijk aangetoond dat het mariadistelzaadextract een organotrope werking heeft. Dat wil zeggen dat het een bijzondere verwantschap heeft tot een bepaald orgaan, in dit geval de lever. Om tot een goed inzicht te komen van de toepassingsmogelijkheden van dit extract met betrekking tot functionele en/of pathologische aandoeningen van de lever, is het zinvol dit orgaan nader te bezien.

Het beeld (en wellicht het leven) van de lever is lang niet iedereen even duidelijk. Sommige auteurs beschrijven de lever als een grote afvalbak, vuilstortplaats of puinbak waar het lichaam alles in dumpt wat het kwijt wil. Anderen zien de lever als een gevaarlijke, bedreigende opslagplaats van allerlei gifstoffen, welke continu gedraineerd dient te worden met alle mogelijke middelen, wil het niet zeer slecht met ons aflopen.

Genoemde voorstellingen van de lever zijn te negatief en te eenzijdig. De lever kent enkele zeer belangrijke en onmisbare functies en is één van de meest creatieve organen van ons lichaam. De lever speelt een centrale rol in het metabolisme, de stofwisseling en regelt samen met de darmen, nieren, longen en huid de detoxificatie (ontgifting). Het woord stofwisseling geeft in feite exact aan waar het in de lever omgaat: stoffen worden omgewisseld, van hoedanigheid (structuur) en van plaats. Er vindt een zeer complexe transformatie plaats. Alle stoffen (voedingsstoffen, maar ook geneesmiddelen, vitamines, mineralen, fytotherapeutica en plantenextracten) worden van ruwe grondstof omgevormd tot voor het lichaam bruikbare, geschikte en veilige stoffen. En stoffen die niet in het lichaam thuishoren, worden zodanig bewerkt dat zij door de nieren of darmen worden geëlimineerd. De lever is geen afvalberg, maar eerder een grenswisselkantoor waar ingeruild kan worden zodat de reis verder kan. Grensposten (douaniers) controleren of alles volgens de regels geschiedt. En de centrale bank bewaakt de waarde en veiligheid van alle transporten waardoor mogelijke schade voorkomen wordt (middels eliminatie van toxinen). Met andere woorden: de lever is geen dumphal, eerder een levendige handelsplaats.

Silymarine blijkt als een krachtige antioxidant werkzaam te zijn in zowel de levercellen als in de cellen van de maag en darm. Deze werking schrijven onderzoekers primair toe aan de mogelijkheid van silymarine om de hoeveelheid glutathion in de levercellen te vergroten en spaarzamer te laten gebruiken. Glutathion is één van de krachtigste antioxidanten in het lichaam. Men kent aan glutathion een celbeschermende werking toe. In een dierstudie toonde men aan dat bij orale inname silymarine de hoeveelheid glutathion toenam met 50%. Onderzoek wees uit dat de antioxidantieve werking van silymarine 10 keer sterker is dan de antioxidantieve werking van vitamine E. Daarnaast heeft men aangetoond dat silymarine het niveau van de antioxidant superoxide dismutase (SOD) in de rode bloedcellen en lymfocyten verhoogt. SOD is een enzym dat voorkomt in alle cellen die zuurstof gebruiken om reacties te laten plaatsvinden. Grote concentraties SOD komen voor in de lever, hersenen, nieren, hart en pancreas. SOD is in staat zeer veel verschillende vrije radicalen onschadelijk te maken. De effecten van een meer economisch gebruik van SOD werden duidelijk bij toepassing van silymarine bij patiënten die leden aan chronische alcoholcirrose en daardoor een verhoogd risico liepen op schade aan alle lichaamscellen veroorzaakt door vrije radicalen. Inname van silymarine beschermde de levercellen en cellen van maag en darmen (middels verhoging van SOD) waardoor de schadelijke invloed van de vrije radicalen beperkt bleef en c.q. geremd werd.

Uit onderzoek is gebleken dat silymarine de proteïnesynthese van beschadigde of ontstoken levercellen stimuleert, waardoor in een versneld tempo nieuwe en gezonde (volwaardige) cellen gevormd kunnen worden. Hierbij moet worden opgemerkt dat het regeneratieve vermogen van silymarine alleen binnen het bereik van gezonde of potentieel gezonde levercellen ligt. Het versnelt uitsluitend de regeneratie van cellen die bijdragen tot een normaal functioneren van de lever.

De meest effectieve en succesvolle toepassing van het extract van de Mariadistel is wellicht het gebruik van het extract bij patiënten met functionele en pathologische stoornissen ten gevolge van alcoholmisbruik. Door het uitvoeren van laboratoriumonderzoek toonden deskundigen aan dat bij een gebruik van 3 maal daags 140 mg silymarine gedurende 4 tot 8 weken een sterke normalisatie optreedt in zowel de waarden van de leverenzymen SGOT (serum-glutaminezuur-pyrodruivenzuur-transaminase), SGPT (serum-glutaminezuur-oxaalazijnzuur-transaminase) en GGT (gamma-glutamyltransferase), als het bilirubinegehalte.

De waarden van leverenzymen stijgen als schade aan de lever optreedt. Toegenomen waarden vormen een indicatie voor de ernst van de leverschade. In deze studies constateerden de onderzoekers verder dat symptomen van alcoholisme (vermoeidheid, gebrek aan eetlust, misselijkheid en braken) eveneens verdwenen. Bij patiënten bij wie ten gevolge van alcoholmisbruik gewichtsverlies werd vastgesteld, vond een opmerkelijke gewichtstoename plaats. De toepassing van het extract van de Mariadistel werd eveneens bestudeerd bij patiënten met leverschade ten gevolge van langdurig gebruik van antidepressiva en anticonvulsiva. Nadat de patiënten 2 maanden lang het extract hadden gebruikt, stelden de onderzoekers een duidelijke verbetering vast in de SGOT-, SGPT- en bilirubinewaarden. Aanvullende onderzoeken bewezen dat bij operaties silymarine de lever beschermt tegen mogelijke schade ten gevolge van anaesthesie.

Hepatitis is een acute, subacute of chronische parenchymateuze leverontsteking, meestal veroorzaakt door een virus (hepatitis A, B, C, D en E, herpes simplex, cytomegalie, influenza, gele koorts), echter ook bacterieel (ziekte van Weil), protozoair (toxoplasmose) of door toxische invloeden (alcohol, medicijnen). Hepatitis valt de levercellen aan met als gevolg dat de lever het op een akkoordje gooit en zijn functies niet meer voor de volle honderd procent uitoefent. Zoals beschreven veroorzaken beschadigde levercellen een stijging in bepaalde leverenzymen, waaronder SGOT en SGPT. Vergeleken met andere leveraandoeningen treedt bij hepatitis de grootste stijging van leverenzymwaarden op. Een daling van deze waarden wordt gezien als een indicatie van therapeutisch respons. Silymarine biedt op veilige en effectieve wijze de mogelijkheid het proces van schade aan de levercellen te vertragen en te keren.

Bij acute hepatitis blijkt silymarine niet alleen het ontstaan van schade aan de levercellen te vertragen, maar tevens de overgang naar een chronische vorm van hepatitis te voorkomen. In enkele verslagen melden onderzoekers een korter verblijf in het ziekenhuis, minder complicaties en een sneller herstel. Dagelijks gebruik van 600 mg extract van de Mariadistel gestandaardiseerd op 70% silymarine (= 420 mg silymarine) door patiënten met chronische hepatitis gedurende 3 tot 12 maanden resulteerde in een indrukwekkende afname van de levercelschade (vastgesteld middels biopsie), een verlaging van de leverenzym waarden en een toename van de proteïneniveaus in het bloed. Genoemde veranderingen traden meestal al binnen de eerste 2 weken op. Andere, gangbare symptomen bij chronische hepatitis (verminderde eetlust, reuk- en smaakverlies, maag- en darmklachten, misselijkheid, braken en vermoeidheid) verbeterden allen gedurende de behandeling met het extract van de Mariadistel. De reguliere therapie bij acute hepatitis bestaat voornamelijk uit bedrust en dieetadviezen. Momenteel bestaat er nog geen geneesmiddel tegen acute hepatitis.

Levercirrose is een verschrompeling van de lever met een toenemende nieuwvorming van bindweefsel in plaats van leverweefsel (fibrose), wat uiteindelijk leiden kan tot een vergevorderde degeneratie van de lever met zowel vetinfiltratie van de normale structuur van de lever als een verminderde doorbloeding.

Levercirrose kan leiden tot leverinsufficiëntie. Specifieke pathologische syndromen als icterus, steatose, slokdarmvarices, ascites, testesatrofie en portale hypertensie kunnen eveneens optreden. Bij ongeveer 20% van de chronische alcoholisten zal uiteindelijk levercirrose ontstaan. Ernstige cirrose kan tot de dood leiden.

Onderzoeken met silymarine bij patiënten met levercirrose toonden dat reeds na één maand behandeling met 420 mg silymarine per dag de leverfunctie zich herstelde, hetgeen bewezen werd door een sterke daling in de waarden van de leverenzymen SGOT, SGTP en GGT. Genoemde resultaten werden bevestigd door biopsie en zijn zonder meer bijzonder te noemen, zeker als men bedenkt dat het maanden tot zelfs jaren duurt voor levercirrose zich ontwikkelt.

In een studie met 170 patiënten met vergevorderde cirrose van verschillende oorsprong leidde het gebruik van 420 mg silymarine per dag gedurende 41 maanden tot een vergroting in de overlevingskans. De behandeling was het meest effectief bij patiënten met cirrose secundair aan alcoholmisbruik. In enkele onderzoeken waaraan patiënten deelnamen met chronische leveraandoeningen als chronische hepatitis en levercirrose werd de dosis silymarine zelfs verhoogd tot 560 mg per dag.

Het risico op het krijgen van galstenen ontstaat onder andere wanneer de gal in de galblaas oververzadigd raakt met cholesterol. Silymarine kan volgens onderzoek van waarde zijn om te voorkomen dat de gal oververzadigd wordt met cholesterol. Gebruik van 420 mg silymarine per dag gedurende één maand leidt tot een afname van cholesterol in de gal bij patiënten met een voorgeschiedenis van galstenen en galblaasoperatie. Nader uitgebreid onderzoek met grote groepen patiënten over een langere periode zou wellicht de effectiviteit van silymarine ter preventie van galstenen kunnen aantonen.

Het gebruik van het extract van de Silybum marianum tijdens een detoxificatiekuur is aan te bevelen daar silymarine niet alleen de leverfunctie ondersteunt tijdens de kuur, maar ook de levercellen zelf bescherming biedt tegen met name de endogene toxines. Daarnaast zouden mensen die in hun werksituatie in aanraking komen met exogene chemische toxines (schilders, schoonmakers, automonteurs, stoffeerders, land- en tuinbouwers die gif gebruiken) profijt kunnen hebben van het dagelijks gebruik van silymarine. Ook voor patiënten die een operatie hebben ondergaan (anaesthetica) of bepaalde geneesmiddelen gebruiken, gebruikt hebben of willen afbouwen, kan het gestandaardiseerde zaadextract van mariadistel bijzonder waardevol zijn ter detoxificatie en protectie van de lever.

Gebruik van het extract tijdens de zwangerschap en/of lactatieperiode wordt meestal uit voorzorg ontraden. Sommige auteurs melden dat het extract dermate veilig is dat het extract ook tijdens de zwangerschap en/of lactatieperiode gebruikt kan worden. Zelfs in zeer hoge doses is bij dierstudies en humane studies geen toxiciteit aangetoond.

Mariadistel is zeer veilig bij de aangegeven doses en wordt goed verdragen, ook bij langdurig gebruik. Er kan een mild laxerend effect optreden in de eerste dagen met losse stoelgang, wat meestal na 2 à 3 dagen ophoudt.

Mariadistel vermindert de hepatotoxiciteit van bepaalde geneesmiddelen.

Fijngemalen (onder lage temperatuur) totaalpoeder, gestandaardiseerd op 1% silymarine: 3 maal daags 1 capsule à 390mg bij maaltijden met een glas water innemen.

Mariadistel vertoont synergie in zijn leverbeschermende werking met nutriënten als alfaliponzuur, selenium en glutathion.

L-cysteïne is een zwavelhoudend aminozuur dat een centrale rol speelt bij ontgiftingsprocessen binnen de lever (onder andere door de vorming van glutathion). Voorts heeft het een antioxidatieve werking. L-cysteïne is een onderdeel van keratine en is daardoor belangrijk voor huid, haren en nagels. Het is een essentieel aminozuur voor mensen met leverstoornissen.

In de aangegeven dosering zijn van L-cysteïne geen contra-indicaties bekend.

Voor zover bekend veroorzaakt L-cysteïne in de aangegeven dosering geen bijwerkingen.

Interacties met reguliere of natuurgeneesmiddelen zijn mogelijk. Raadpleeg hiervoor een deskundige.

Een gebruikelijke dosering van L-cysteïne is 500 mg tot 1500 mg per dag.

Inositol, dat deel uitmaakt van het vitamine B-complex, is een suiker en wordt beschouwd als een niet-essentiële vitamine die in alle weefsels aanwezig is, zelfs overvloedig in het zenuwstelsel (myelineschede). Hersenen en hart bevatten de hoogste concentraties. Eigenlijk is het geen echte vitamine aangezien de cellen in het organisme glucose kunnen omvormen in inositol. Inositol helpt de groei en het aantal cellen controleren en voorkomt zo een overgroei van cellen (kanker). Inositol is onmisbaar voor de goede werking van de hersenen en een tekort kan stoornissen van het zenuwstelsel en van het humeur uitlokken.

Samen met choline is het een van de aanmaakstoffen voor de hersenen en helpt om de weerstand tegen stress te verhogen. Verder is inositol belangrijk voor een gezonde haargroei. Ook is het belangrijk bij de groei en ontwikkeling van beenmerg- en darmcellen. Inositol stimuleert de lever en de darmwerking.

Belangrijke bronnen van inositol zijn onder andere lever, biergist, grapefruit, rozijnen, tarwekiemen, pinda’s, koolsoorten en volkoren producten.

Inostitol tekort kan leiden tot eczeem, oogproblemen, constipatie, dermatitis, haaruitval, verhoogde cholesterol en leververvetting.

Diabetespatiënten dienen inositol alleen te nemen onder begeleiding van een arts.

Geen problemen werden vastgesteld met normale doses. Toch bestaat er onvoldoende bewijskracht om de veiligheid tijdens de zwangerschap en/of de lactatieperiode te bevestigen.

Mogelijke interacties met antibiotica (de endogene inositol synthese wordt gestopt door antibiotica (risico op tekort)). Cafeïne (koffie, thee, cola) reduceert inositol (risico op tekort).

Natuurlijke bronnen zijn het best. In voedingssupplementen in de vorm van myo-inositol tot maximaal 1000 mg per dag.

Choline is een essentiële voedingsstof die meestal wordt ingedeeld bij het vitamine B-complex. Het wordt ook wel een halfvitamine genoemd, omdat choline in geringe mate door het lichaam kan worden aangemaakt, maar de productie bij de meeste mensen niet toereikend is. Opname uit de voeding is dus in vele gevallen essentieel.

In chemisch opzicht is choline een ammoniumzout waaraan drie methylgroepen zijn te onderscheiden. Deze methylgroepen spelen een belangrijke rol in de methioninestofwisseling.

Choline is in alle weefsels aanwezig als essentieel onderdeel van fosfolipiden. Het lichaam slaat het niet op in één bepaald weefsel, maar het komt in relatief hoge concentraties voor in essentiële organen zoals hersenen, lever en nieren. De placenta van zwangere vrouwen is een andere plek waar veel choline wordt opgeslagen. Hier heeft het vooral de vormen fosfatidylcholine en sphingomyeline, stoffen die belangrijk zijn voor een goede ontwikkeling van de foetus.

Choline en zijn metabolieten hebben een hoofdfunctie in onder andere de volgende fysiologische processen:

  • structurele integriteit en signaalfunctie van celmembranen:choline vormt een onderdeel van fosfatidylcholine, een belangrijk structureel onderdeel van het biologische membraan. Het is een voorloper van ceramide, dat een rol speelt bij het transport van zenuwimpulsen door de celmembraan heen. Fosfatidylcholine is bovendien essentieel voor het transport van vet en cholesterol in de vorm van VLDL (Very Low Density Lipoprotein) vanuit de lever. Het lichaam gebruikt choline om lecithine aan te maken, een emulgator die een vetregulerende werking heeft en tegengaat dat cholesterol zich in de aderen vastzet.
  • cholinergische neurotransmissie: choline is een precursor van de neurotransmitter acetylcholine. Het versnelt de aanmaak en vrijmaking van acetylcholine in de zenuwcellen. In het perifere zenuwstelsel activeert acetylcholine de spieren, terwijl het ook de belangrijkste neurotransmitter is binnen het parasympatisch zenuwstelsel, het systeem dat ervoor zorgt dat het lichaam in een toestand van rust en herstel kan komen. Het stimuleert de spijsvertering alsmede de aanmaak van glycogeen, waarin overtollig glucose uit het bloed wordt opgeslagen. Daarnaast vervult acetylcholine een belangrijke functie bij leerprestaties, kortetermijngeheugen, opwinding en het beloningssysteem in de hersenen.
  • bron van methylgroepen:choline is een belangrijke bron van methylgroepen, voornamelijk in de vorm van zijn metaboliet betaïne. Samen met folaat en cobalamine is het een belangrijk co-enzym voor de hermethylering van homocysteïne tot methionine in de methioninecyclus. Homocysteïne is een in hoge concentraties giftig stofwisselingsproduct van het aminozuur methionine. Een verhoogd homocysteïnegehalte is slecht voor hart en bloedvaten, hersenen, gewrichten en botten. Ook wordt het geassocieerd met beroertes. Daarnaast is methylatie cruciaal voor het aan- en uitschakelen van genen, voor de overdracht van boodschappen tussen cellen en de regeneratie van zenuwen.

Wanneer er zich onvoldoende fosfatidylcholine in de lever bevindt, worden vet en cholesterol niet afgevoerd, waardoor ze opstapelen in de lever. Een tekort aan choline kan dus leiden tot leververvetting en leverschade. Met methotrexaat samenhangende niet-alcoholische leververvetting kan zelfs worden omgekeerd door toediening van choline. Methotrexaat is een onderdrukker van het afweersysteem en ontstekingsremmer die bijvoorbeeld wordt ingezet bij reuma, multiple sclerose, de ziekte van Crohn en astma.

Als biotransformator is de lever het belangrijkste methyleringsorgaan. Uit onderzoek van choline-expert professor Zeisel blijkt dat methyldonoren zoals choline een belangrijke invloed hebben op de methylering van genen die voor leververvetting en -fibrose kunnen zorgen. Of deze ziektebeelden tot uiting komen, is deels afhankelijk van het aan- of uitzetten van de genen die hiervoor verantwoordelijk zijn. Dit epigenetische mechanisme van choline speelt daarmee een wezenlijke rol bij het voorkomen van leververvetting en -fibrose. Een voldoende aan choline zou ook een invloed hebben op de preventie van galstenen.

Choline komt in alle natuurlijke vetten voor en is alomtegenwoordig in voornamelijk dierlijke voeding. De rijkste bronnen zijn eieren, lever en ander orgaanvlees, soja en vet vlees.

Een choline tekort is niet ongebruikelijk. Een reden hiervoor is dat veel mensen in een poging hun gewicht te beheersen afzien van de consumptie van voedingsmiddelen die rijk zijn aan natuurlijke vetten. Ook het gebruik van alcohol en een suikerrijke voeding hebben een negatief effect op de cholinewaarden. Tot slot hebben zwangere vrouwen een sterk verhoogde behoefte aan choline.

Ook bij voeding die slechts in beperkte mate methylgroepen levert, kunnen choline en zijn metabolieten essentieel zijn. In dit verband zijn bijvoorbeeld vegetariërs en veganisten een risicogroep. Tot slot zijn er veel mensen die genetische polymorfismen hebben, waardoor hun behoefte aan choline hoger is. Al met al komt slechts een fractie van de mensen aan zijn dagelijks aanbevolen hoeveelheid choline. Dit heeft zijn weerslag op de gezondheid.

Choline wordt als veilig beschouwd en wordt over het algemeen goed verdragen. Gebruik van choline dient vermeden te worden indien men overgevoelig of allergisch is voor choline, lecithine, fosfatidylcholine of producten die deze substanties bevatten.

Bij mensen met de zeldzame stofwisselingsziekte trimethylaminuria kan het gebruik van choline een sterke visachtige lichaamsgeur veroorzaken.

Voorzichtigheid met bloeddrukverlagende medicatie wordt aangeraden.

De reguliere aanbevolen dagelijkse hoeveelheid van choline is vastgesteld op 425 mg per dag voor vrouwen boven de 18 jaar, 450 mg per dag voor zwangere vrouwen en 550 mg per dag voor vrouwen die borstvoeding geven. Bij mannen die ouder zijn dan 18 jaar ligt dit tussen de 400 en 3500 mg per dag. Doseringen van choline tussen de 500 mg tot 20 gram zijn 1 tot 3 keer per dag gebruikt om astma, hersenschade en schizofrenie te behandelen. Doseringen tussen de 15 mg en 8,5 gram zijn gedurende 24 weken gebruikt om het geheugen en fysiek uithoudingsvermogen te verbeteren, alsmede ter preventie van leverstoornissen.

Dankzij het stimulerende effect op de hersenfunctie vormt choline een goede synergistische combinatie met DHA en andere omega-3 vetzuren. Op het gebied van de homocysteïne stofwisseling gaat choline een goede samenwerking aan met de vitamines B6, B12 en foliumzuur. Ook SAMe kan hier uitkomst bieden.

NAC is een verbinding van het zwavelhoudende aminozuur L-cysteïne, dat, veel meer dan L-cysteïne zelf, een zeer goede precursor is voor de synthese van intracellulair glutathion.

Glutathion is een antioxidant die in alle lichaamscellen wordt aangetroffen. Het is het belangrijkste afweermechanisme van de cel tegen oxidatieve stress. Het speelt een rol in de energiestofwisseling, celdeling en een groot aantal andere functies en is daarom essentieel voor het voortbestaan van de cel. Glutathion is een tripeptide dat uit drie aminozuren bestaat: L-cysteïne, L-glutaminezuur en L-glycine. Meestal is L-cysteïne het limiterende aminozuur, daarom wordt het nemen van NAC door veel onderzoekers aanbevolen om de glutathionproductie te stimuleren. De glutathionniveaus in de cel nemen gemiddeld 30-35% af naarmate de leeftijd vordert, en ook bij een aantal ziekten worden sterk verlaagde glutathionspiegels waargenomen (onder andere HIV-infectie en hartaandoeningen).

NAC wordt eerst omgezet in L-cysteïne voordat het gebruikt wordt voor de productie van glutathion. Het ligt dus voor de hand dat het beter is om L-cysteïne te nemen dan NAC om de glutathionproductie te verhogen. Toch blijkt NAC een veel betere bron te zijn. L-cysteïne verliest naar schatting 85% van zijn zwavelgroepen (het actieve deel van glutathion) in het verteringsproces, terwijl het stabielere NAC maar 15% verliest. Dit betekent dat na vertering NAC bijna zes maal zoveel actieve zwavelgroepen heeft dan L-cysteïne.

NAC heeft zelf een directe antioxidatieve capaciteit die te verklaren is door de aanwezigheid van de sulfhydrylgroepen (SH-groepen) op het molecule en de promotie van de vorming van glutathion.

Hoge doseringen NAC worden in ziekenhuizen toegepast als tegengif om leverbeschadiging te voorkomen bij een overdosis paracetamol. Paracetamol verlaagt drastisch de hoeveelheid glutathion in de lever. Ook veel andere medicijnen (onder andere protease-remmers bij AIDS) verlagen de hoeveelheden glutathion in het lichaam. NAC levert de cysteïne die nodig is voor het herstellen van de normale concentraties glutahion. De sulfhydrylgroepen op NAC, cysteïne en glutathion zijn met name interessant omdat ze direct met vele toxinen kunnen reageren. Maar detoxificatie door NAC verloopt langs nog minimaal tien andere wegen en bij nog tientallen andere soorten vergiftigingen geeft behandeling met NAC bemoedigende resultaten.

Het semi-essentiële aminozuur cysteïne is aanwezig in eiwitrijke voedingsmiddelen, waaronder zuivel, vlees en gevogelte. NAC komt niet in voeding voor en is alleen beschikbaar in supplement vorm.

Tekenen van een mogelijk tekort zijn verlaging van de glutathion status, verhoging van oxidatieve stress, ontstekingen en snelle veroudering.

In de aangegeven dosering zijn van NAC geen contra-indicaties bekend.

Voor zover bekend veroorzaakt NAC in de aangegeven dosering geen bijwerkingen. Hoge doses NAC (zoals die bij paracetamol vergiftiging worden toegepast), die op een lege maag zijn ingenomen, kunnen soms lichte misselijkheid en maagirritaties veroorzaken. Het innemen van NAC met een licht verteerbare snack zonder eiwit, bijvoorbeeld fruit, lost het probleem vaak op.

Diverse medicijnen, toxinen en ook alcohol kunnen de glutathionspiegels verlagen en zo de behoefte aan NAC verhogen. Ook andere interacties met reguliere of natuurgeneesmiddelen zijn mogelijk. Raadpleeg hiervoor een deskundige.

NAC wordt meestal gebruikt in doseringen tussen 200 en 1200 mg per dag, in meerdere doses, verspreid over de dag. Mensen die blootstaan aan grote hoeveelheden oxidanten en gifstoffen, zoals rokers, wordt aangeraden tegen de 1200 mg per dag te nemen. Bij ernstige ziekten als AIDS worden hogere doseringen gebruikt, meestal rond de 2000 mg per dag.

Om optimaal te kunnen werken heeft NAC synergisten nodig, die in een goede multi kunnen worden gevonden. Met name alfaliponzuur, L-glutamine, vitamine C en vitamine E spelen een belangrijke rol bij de regeneratie van glutathion (vitamine C zet geoxideerd glutathion weer terug in de gereduceerde vorm, vitamine E doet hetzelfde bij vitamine C). Een goed antioxidantencomplex, alfaliponzuur of L-glutamine 500 is dus zeker een goede synergistische ondersteuning. Daarnaast wordt een basissuppletie van een goed multipreparaat aanbevolen.

Zink citraat (zink gebonden aan citroenzuur) kan worden ingezet ter bevordering van het afweersysteem bij elke vorm van fysieke stress en voor een optimale koolhydraatvertering bij (top)sport.

Zink citraat is een essentieel mineraal dat een zeer groot aantal functies vervult in het lichaam. Zo is het belangrijk voor de omzetting van koolhydraten, de aanmaak van cholesterol, bij mentale of fysieke spanning. Het werkt als cofactor voor meer dan tachtig enzymen en als bindend element houdt het de structuur in stand van een aantal niet-enzymatische moleculen. Veel van de enzymen waar zink mee werkt hebben te maken met het vervoer van CO2 vanuit de weefsels naar de longen.

Zink citraat is een zinkverbinding die uitstekend wordt geabsorbeerd en voldoende in het lichaam wordt vastgehouden. Deze citraatverbinding verlangt immers geen spijsverteringsactiviteit om te worden opgenomen. Zink is nodig voor de opname van andere voedingsstoffen, zoals vitamine A en B-complex en is vereist voor het vrijmaken van vitamine A uit de levervoorraad.

Eén vijfde van het lichaamszink bevindt zich in de huid. Zink helpt bij de verjonging van het weefsel en is betrokken bij enkele enzymatische reacties die nodig zijn voor de normale werking van de vetklieren van de huid. Zink heeft invloed op de gezondheid van verscheidene lichaamssystemen, zoals het zenuw-, immuun- en voortplantingssysteem en ook op de zintuigen van smaak en reuk.

Zink komt in slechts kleine hoeveelheden voor in veel verschillende voedingsmiddelen. Zink is nauw verbonden met eiwitrijk voedsel. Goede bronnen van zink zijn rundsvlees, lamsvlees, varkensvlees, krab, kalkoen, kip, kreeft, mosselen en zalm.

Zink komt naast vlees, schaal- en schelpdieren ook voor in zuivelproducten, zoals melk, yoghurt en kaas. Ook wordt het gevonden in pinda’s, pindakaas, bonen en volkoren granen, bruine rijst, volkoren brood, aardappelen en pompoenpitten.

Fruit en groenten zijn geen goede bronnen, omdat zink in plantaardige eiwitten niet zo goed beschikbaar is voor gebruik door het lichaam als het zink uit dierlijke eiwitten.

Een tekort aan zink zal zich onder andere uiten in afwijkingen van huid, slijmvliezen en skelet. Ook een veranderde reuk en gewijzigd smaakvermogen kunnen voorkomen, evenals een verminderde afweer tegen infecties. Een zinktekort is echter een heel zeldzaam verschijnsel in België.

Niet bekend (met inachtneming van genoemde maximale doseringen).

Over het algemeen wordt zink goed verdragen. Doseringen van 100 à 150 milligram per dag kunnen soms misselijkheid en overgeven veroorzaken, met name wanneer het supplement op nuchtere maag wordt ingenomen. Deze verschijnselen treden vooral op bij zinksulfaat (220 mg zinksulfaat = 50 mg elementair zink). Van andere vormen van zink zijn deze verschijnselen minder of niet bekend.

Alhoewel voldoende zink een belangrijk mineraal is om de prostaat gezond te houden, zouden hoge doseringen zink de tumorprogressie bij een zich ontwikkelend prostaatcarcinoom juist kunnen bevorderen.

Vrouwen die de anticonceptiepil slikken hebben vaak verhoogde koperspiegels en een verhoogde behoefte aan zink. Ook een aantal andere medicijnen (bijvoorbeeld thiazidediuretica, corticosteroïden, steroïdhormonen, tetracyclines, furosemide, colchicine) hebben een negatief effect op de zinkstatus. Vooral thiazidediuretica kunnen de zinkexcretie met 60 % verhogen. Langdurig gebruik van deze medicatie maakt het monitoren van de zinkstatus noodzakelijk. Zinksuppletie verlaagt de hoeveelheid tetracycline die in het bloed wordt opgenomen. Zinksupplementen en tetracyclines moeten daarom minimaal 2 uur van elkaar gescheiden worden ingenomen.

Cadmium is een antagonist van zink en cadmiumvergiftiging (bijvoorbeeld door roken) heeft een dramatisch effect op de zinkstatus. Ook ijzer en calcium remmen de zinkabsorptie. Eiwitten verbeteren de zinkabsorptie.

Zink in een andere vorm dan zinkmethionine vormt onopneembare complexen met de fytaten in granen, rijst en maïs, de oxalaten uit bepaalde groenten (bijvoorbeeld rabarber) en tannine (bijvoorbeeld thee en rode wijn).

Algemene onderhoudsdosering: 15 mg zink per dag

Algemene therapeutische dosering: 15 tot 45 mg zink per dag

Maximale therapeutische dosering (gedurende een beperkte periode): 1 mg zink per kilogram lichaamsgewicht per dag (deze dosering geldt als de ‘acceptable daily intake’ (ADI), in 1982 vastgesteld door de FAO/WHO).

Vrouwen die zwanger zijn of borstvoeding geven wordt aangeraden niet meer dan 25 mg zink per dag (uit voeding en voedingssupplementen) in te nemen.

Om de diverse metabolische functies te kunnen vervullen, heeft zink een aantal synergisten nodig. De synergisten vitamine A en C zijn essentieel voor het effect op het immuunsysteem. De B-vitaminen chroom en vanadium zijn dit voor de glucosehuishouding. Bovendien komt zinkdeficiëntie meestal nooit alleen voor. Vaak zijn er meerdere deficiënties in het spel.

Selenium is een cofactor voor verscheidene enzymen, waaronder het glutathionperoxidase. Glutathionperoxidase is een onderdeel van het antioxidant beschermingsmechanisme van de cel en beïnvloedt de stofwisseling van leukotriënen, tromboxanen en prostacyclinen.

De waarde van selenium en natriumseleniet in een behandeling van kanker wordt algemeen erkend en is vaak al bewezen. In een nieuwe kleinschalige (20 deelnemers) maar wel gerandomiseerde studie blijkt natriumseleniet lymfoedeem samenhangend met een operatie voor mondkanker significant tegen te gaan. Vooral wanneer natriumseleniet direct na de operatie wordt toegediend waar het niet mogelijk of wenselijk is om met manuele vochtdrainage te werken, is het effect heel erg groot.

Kan, voor zover bekend zonder gevaar voor de vrucht, volgens voorschrift worden gebruikt in de zwangerschap.

Bij oraal gebruik een periode van vier uur tussen inname van reducerende middelen zoals ascorbinezuur en natriumseleniet in acht nemen.

100–200 microgram selenium per dag, eventueel verhogen tot 500 microgram per dag. Indien toegepast als aanvulling op algemene totale parenterale voeding: 100 microgram per dag.

L-seleno-methionine is een aminozuur L-methionine met op de plaats van het zwavelatoom een seleniumatoom. Selenomethionine is dus iets heel anders dan aan methionine (of andere aminozuren) gecheleerd selenium. Selenomethionine is uniek omdat het selenium integraal deel uitmaakt van het molecuul, en dus één chemische entiteit is en als geheel wordt ingebouwd in lichaamseiwitten. Dat maakt selenomethionine niet alleen veiliger, maar ook beter biologisch beschikbaar dan wanneer selenium en methionine enkel gecheleerd waren. Selenomethionine wordt vanuit het duodenum vrijwel 100% geabsorbeerd. 

Net als anorganische seleenzouten zoals natriumseleniet of natriumselenaat wordt selenomethionine goed geabsorbeerd door het lichaam vanuit het gastro-intestinale stelsel. De biobeschikbaarheid van selenomethionine bleek in een aantal studies bij mensen en dieren evenwel 1,5 tot 2 maal zo hoog te zijn als die van anorganische vormen van seleen. De halfwaardetijd van L-selenomethionine is 252 dagen, dit is langer dan die van anorganisch seleniet (102 dagen). Na absorptie wordt selenomethionine gemetaboliseerd tot andere organische seleenverbindingen (bijvoorbeeld selenocysteïne) of wordt het seleen via eiwitsynthese opgeslagen in selenoproteïnes, waaruit het nadien door katabolisme kan vrijkomen.

Seleen is een chronisch toxische stof. Men moet er dus op toezien dat de inname van seleen de toegelaten dagelijkse dosis niet overschrijdt. Een teveel aan seleen kan aanleiding geven tot selenose (seleenvergiftiging).

Veel van de klinische werkingen van selenium hangen samen met het feit dat selenium integraal deel uitmaakt van de vier enzymen van het glutathion-peroxidase enzymsysteem, een belangrijke sleutelcomponent van de lichaamseigen, enzymatische afweer tegen oxidatieve stress in onder andere hartspierweefsel. Seleniumdeficiëntie heeft dan ook een verminderde activiteit van dit enzymsysteem tot gevolg en een vergrote gevoeligheid voor oxidatieve stress.

Een voldoende hoge spiegel van selenium is in staat zware metalen als cadmium, zilver, kwik en lood te binden en de toxiciteit ervan te verminderen. Ook is selenium essentieel voor het cytochroom P450 enzymsysteem, dat verantwoordelijk is voor het detoxificeren van lichaamsvreemde stoffen in de lever.

Het immuunsysteem van de mens is zeer afhankelijk van de hoeveelheid selenium die in het lichaam aanwezig is, vooral wat betreft het functioneren van de macrofagen (vreetcellen).

Selenium is te vinden in paranoten, (orgaan)vlees, granen, uien, spruitjes, broccoli, fruit en vis.

Vermijd gebruik tijdens zwangerschap en borstvoeding (vanwege onvoldoende gegevens).

Selenium heeft een relatief kleine veiligheidsmarge. Bij doseringen van 200-400 mcg elementair selenium per dag zijn nooit negatieve bijwerkingen geconstateerd. Bij hogere, therapeutische, doseringen is het zinvol om van tijd tot tijd de bloed-seleniumspiegel te controleren. Bij dagdoseringen boven 750-800 mcg elementair selenium kan soms selenose optreden. Dit gaat gepaard met een knoflookgeur, gele verkleuring van de huid, haaruitval, veranderingen in nagels en botten, verkleuringen van tanden, irritatie van de luchtwegen, misselijkheid, overgeven en/of geïrriteerdheid. Deze verschijnselen zijn volledig reversibel na het stoppen met de seleniumsuppletie.

Selenium kan het toxische effect van bepaalde medicijnen verminderen. Ook andere interacties met reguliere of natuurgeneesmiddelen zijn mogelijk. Raadpleeg hiervoor een deskundige.

Onderhoudsdoseringen selenium, ter preventie van degeneratieve ziektebeelden, kunnen variëren tussen 50 en 200 mcg per dag. Therapeutisch kan selenium gebruikt worden in doseringen tot 3 maal 200 mcg per dag. Onder goede medische begeleiding kan de dosis bij seleniumdeficiënte patiënten eventueel verhoogd worden tot 800 mcg per dag. Doseringen boven 800 mcg zijn in principe toxisch. Omdat selenium vaak ook nog in andere supplementen wordt verwerkt, wordt aangeraden om zonder goede monitoring de adviesdosering van 200 mcg selenium per dag niet te overschrijden.

In vitro experimenten laten een synergie zien tussen vitamine E, selenium en zwavelhoudende aminozuren, die de precursors zijn van glutathion en glutathionperoxidase. Bij een tekort aan vitamine E worden de vrije radicalen geëlimineerd door glutathionperoxidase. Als basissuppletie raden wij naast selenium een basissuppletie van een goede multi en vitamine C aan.